vrijdag 27 april 2018

Stolpersteine voor de families Neustädter en Rosenthal


Adolf Neustädter

ADOLF NEUSTÄDTER werd geboren in Wolfskehlen,in de deelstaat Hessen, op 6 juni 1868. Wat zijn vader Meijer Neustädter daar voor de kost deed, is niet bekend. Wanneer Adolf Wolfskehlen verliet en waarheen is evenmin bekend.

Van zijn familie is het treurige feit bekend dat zijn beide zusters Karoline en Pauline Neustädter op 9 juni 1942 zichzelf het leven hebben benomen. Na lang in Würzburg gewoond te hebben, wilden zij mogelijk als zovelen via Keulen naar Nederland vluchten. In het Keulse Gedenkbuch Die jüdische Opfer des Nationalsozialismus aus Köln wordt hun Freitod gemeld. Over zijn broer, Siegmund,  komen we nog uitgebreid te spreken.


Het naslaan van de aanbevelenswaardige website www.alemannia-judaica.de levert voor Wolfskehlen de namen van de zusters Hanna en Kätchen Neustädter op als de enige Joodse inwoners met die familienaam in 1924. Zij hebben een Hausierhandel en zijn dus marskramers. Er wonen dan nog slechts 13 Joden in Wolfskehlen. De dan nog functionerende synagoge dient ook de Joodse inwoners van het nabijgelegen Godelau. Of er een familierelatie is met Hanna en Kätchen, je zou bijna hopen van wel, maar zeker is het niet. 

Synagoge in Wolfskehlen
Als hij al 37 is trouwt Adolf met de elf jaar jongere SOPHIE EPSTEIN Epstein uit Eichstetten, in de deelstaat Baden-Württemberg. Heinrich Epstein is Gemeindevorsteher in 1924 en ook nog in 1933 als Eichstetten nog 91 Joodse inwoners heeft. Hij is een (achter?)neef van Sophie.

Sophie Neustädter-Epstein

Heinrich Epstein heeft met zijn broer Siegfried een papierfabriek en twee andere Epsteins hebben eveneens bedrijven in dit dorp.
Geen idee of en in hoeverre Sophie contact onderhield met de familie in Eichstetten.

De familie Epstein in Eischstetten telt verschillende slachtoffers van de nazistische rassenwaan: David (1894), Siegfried (1885), Simon (1879), Simon (1888), Viktor (1859),  Sofie (1895), Hedwig Hanauer-Epstein (1894), Julie Levy-Epstein (1877), Berta Mayer-Epstein (1892) en ook Sophie Neustädter-Epstein staat vermeld. Sophie komt uit een gezin van zeven kinderen, maar van de hierboven genoemde Epsteins is er geen een zus of broer uit het gezin van Sophie 


monument op Joodse begraafplaats Eichstetten

Adolf en Sophie hebben lange tijd in Hamborn, nu een wijk van Duisburg gewoond. In 1908 kwamen zij hierheen vanuit Frankfurt. In de winkelstraat Im Birkenkamp 2 runden zij een winkel in huishoudelijke artikelen. Deze locatie was een klasse minder dan de voorname winkelstraat Weseler Strasse waar broer Siegmund Neustädter zijn winkel had.
Intussen was Adolf actief in de Joodse gemeente. Jarenlang maakte hij deel uit van het bestuur en vooral de zorg voor en het toezicht op de Joodse begraafplaats was aan hem toevertrouwd.

Adolfs broer Siegmund had ook een zaak in huishoudelijke artikelen. Hij woonde in Hamborn al vanaf 1898. Hij had zijn Haushaltswarengeschäft aan de Weseler Strasze nr. 102 en woonde op nr. 87. Ook hij heeft deel uitgemaakt van het bestuur van de Joodse gemeente in Hamborn (van 1926 - 1929) of begrijp ik het verkeerd en maakte hij deel uit van het burgerlijke gemeentebestuur.
Hij was één der eerste slachtoffers van Hitlers' partijgenoten tegen de Joodse economie. Toen hij in november 1933 zijn etalageramen wilde ontdoen van de daarop gekalkte boycot-oproepen tegen Joodse winkels, is hij doodgeschopt door de Hitler Jugend. Door getuigen werden de daders aangegeven, maar het rechtsbestel in Duitsland was toen al zover heen dat de daders niet zijn opgepakt laat staan bestraft.

Neustädters in telefoonboek Hamborn


Zijn vrouw Selma Neustädter-Rothschild heeft de zaak voortgezet tot die eind 1936 gedwongen moest worden opgegeven. Zij was de plaatsvervanger en vertegenwoordiger van de rabbi in de stedelijke koepel van Joodse welzijnsinstellingen. Na de Arisierung van de winkel is zij uit Hamborn vertrokken naar Frankfurt en op 5 december van datzelfde jaar gestorven.

Uit de brochure van de Duisburgse stichting Stolpersteine:
Weseler Straße 87 Siegmund Neustädter November 1933: Die Nationalsozialisten waren noch kein ganzes Jahr an der Macht. Bis zur Reichspogromnacht sollte es noch fünf Jahre dauern, bis zur systematischen Judenvernichtung noch länger. Und doch deutete schon manches auf das heraufziehende Unheil hin. Es geschah auf der Weseler Straße 87 in Marxloh. Siegmund Neustädter, 63- jähriger Inhaber eines Haushaltwarengeschäfts, aktives Mitglied der jüdischen Synagogengemeinde in Hamborn, fiel einem antisemitischen Gewaltverbrechen zum Opfer. Gedenkstein für Siegmund Neustädter Über das, was geschah, setzte damals die Duisburger Polizei in einem Schreiben die Staatspolizeistelle Düsseldorf wie folgt in Kenntnis: „Am 11. November 1933, gegen 20.30 Uhr, wurden durch eine etwa 10- köpfige Klebekolonne der Hitlerjugend im Stadtteil Hamborn 27 Wahlpropagandaplakate an Häusern und Zäunen angeklebt. Bei dem Kaufmann Neustädter hatte man bereits die Schaufensterscheiben sowie den Privateingang mit Wahlplakaten verklebt. Als der Eigentümer und dessen Frau später damit beschäftigt waren, den Privateingang von Klebstoff und Handzetteln zu säubern, wurde Neustädter von den inzwischen zurückgekehrten Hitlerjungen angegriffen und von einem Beteiligten mit beschuhtem Fuß in den Unterleib getreten. Neustädter und seine Frau flüchteten in ihre Wohnung, während sich die Hitlerjungen in Richtung Marxloh entfernten. Kurz danach stellten sich bei Neustädter durch den erhaltenen Fußtritt starke Schmerzen im Unterleib ein. Ein herbeigerufener Arzt ordnete die sofortige Überführung ins Krankenhaus an, wo Neustädter sofort einer Operation unterzogen wurde. Der Operateur stellte zwei Darmrisse und eine beginnende Bauchfellentzündung fest. An den Folgen der Verletzungen ist Neustädter am 14.11.33 gegen 12 Uhr im Krankenhaus gestorben.“ 
Kein Täter wurde je zur Rechenschaft gezogen.


Stolperstein voor Siegmund Neustädter in Hamborn






In maart 1939 zijn Adolf en Sophie vertrokken uit Hamborn en naar Nederland gevlucht. In Rotterdam hebben zij nog even onderdak gekregen in de Quarantainestraat, maar in juni konden zij hun intrek nemen in de Hortensiastraat 61. Hun dochter Trude, officieel Johanna Gertrude Neustädter, geboren in 1906 in Frankfurt, komt mee. Zij was winkelbediende in München en heeft nog een paar jaar in Hannover gewoond, maar als de omstandigheden verslechteren komt zij naar Hamborn en gaat zij mee naar Nederland. Maar zij ziet alsnog kans te emigreren naar de USA, waar haar broer Kurt Neustädter  (geboren in Hamborn in 1910) dan al een poosje is. Hij was al jong het huis uit om een winkel te beginnen in Düsseldorf en later Bonn. Hij emigreert in mei 1936 en vestigt zich aanvankelijk in Portland, Oregon en verhuist later naar Eugene en blijft daar tot zijn dood wonen waar hij succes heeft in zaken (Kaufmann Brothers, een zaak in damesmode).
Hij trouwt met Senta Josefine Spiegel (1912 - 2000) die twee jaar na hem als zijn fiancee  naar de VS was gekomen.
Hij heeft ook geprobeerd zijn ouders naar de USA te halen en die hebben daartoe ook verzoeken ingediend en een gesprek gevoerd met de consul-generaal van de USA, maar het was al te laat (november 1940). 








  
Adolf wordt door de Zwolse politie gearresteerd en op 19 november 1942 overgebracht naar Westerbork. Op 30 november 1942 wordt hij op transport gezet naar Auschwitz, samen met Sophie en bij aankomst worden zij vermoord in de gaskamer: 2 december 1942 is hun vermoedelijk dag des doods.
Hortensiastraat 61 Zwolle, het laatste adres van Adolf en Sophie 
Adolf en Sophie werden herinnerd in de Zwolse synagoge. Dat zij voortleven in hun kleinzoons Roger Nicolas, 8 april 1943, en Gary Kurt (1948 - 1978) konden zij niet weten. In hoeverre hun geslacht wordt voortgezet met achterkleinkinderen, weet ik niet. 

Hierna kom ik nog even terug op Roger N..

exterieur Zwolse synagoge

interieur Zwolse synagoge


HEDWIG ROSENTHAL- NEUSTÄDTER is een nichtje van Adolf en Sophie Neustädter-Epstein. Zij is de dochter van Adolfs broer Siegmund en diens vrouw Selma wier lot hierboven is beschreven.
Hedwig is in 1903 in Hamborn geboren. Zij had twee broers. De oudste is Karl Neustädter (1901) die in 1960 in Chicago overleed. 

Haar jongere broer Ernst Neustädter (1907) is eveneens aan de Holocaust ontkomen. Aanvankelijk winkelbediende in Düsseldorf en in Hindenburg (Oberschlesien) is hij in 1937 naar de USA geëmigreerd. Hij woonde in de staat Illinois. Werd in 1944 genaturaliseerd. Dat hij twee zonen had, David en Walter, is van hem het spaarzame wat we weten.

Ook van Hedwig is maar weinig bekend, terwijl zij toch acht jaar in Zwolle heeft gewoond. Geen foto. Behalve dat zij trouwde in Hamborn op 14 april 1925 met ERICH MAX  ROSENTHAL (geboren in Oberhausen-Sterkrade in 1895). 

Maar gelukkig zijn er van hun zoon KARL ROSENTHAL twee foto's bewaard . Op de onderstaande foto is Karl de middelste jongen (foto van Joods Monument) 

Karl Rosenthal is de middelste jongen
Karl Rosenthal

Uitsnede van een klassefoto? Karl is in elk geval iets jonger dan op de eerdere foto.

Erich  had halverwege de jaren '20 de zaak overgenomen van zijn vader Carl Rosenthal aan de Marktstrasze 1 in Sterkrade, Oberhausen. In Sterkrade runden Erich en Hedwig de zaak die eerder van Hedwigs vader Carl Rosenthal was: Kaufhaus Hirschland.  Als ik het goed begrijp was Kaufhaus Hirschland een soort keten van franchisenemers waarvan het moederbedrijf in Mannheim stond. Hirschland deed in 'Manufakturwaren, Kurz-, Weisz- und Wollwaren sowie Damen-Konfektion'. Zo'n winkel waaraan je als klant -zo las ik ergens- een levenslange voorliefde voor degelijke doch gedistingeerde kleding overhoudt. De naam Hirschland kan er anderzijds ook op wijze dat het een winkel was van Erichs grootmoeder Rosenthal-Hirschland en dat zijn vader die winkel indertijd van zijn schoonfamilie had overgenomen. Het kan ook allebei tegelijk waar zijn
Dan vertrekt hij naar Oldenburg. Of hij daar al voor eigen rekening een zaak had, is mij onbekend. 
In 1932  komt hij naar Hamborn en gaat wonen op de Weseler Strasze 87, waar zijn schoonvader Siegmund zijn winkel had, in huishoudelijke artikelen.
Hedwig, dochter van Siegmund, had hij al eerder leren kennen. Hij is met haar getrouwd toen hij nog in Sterkrade woonde. 
.
Enfin, de Rosenthals kwamen naar Zwolle toen de winkel in Hamborn  teloorging na de anti-Joodse boycot in 1933 en zij gingen wonen in de Begoniastraat op nr. 2. In oktober voegde Erichs moeder FRIEDA ROSENTHAL-STERN zich bij hen. Frieda is op 29 mei 1937 in Zwolle overleden en het lijkt erop dat zij niet begraven is op de Joodse begraafplaats aan de Kuyerhuislaan, maar bij haar man in Hamborn, Duitsland. 

Amper in Zwolle begon de energieke Ernst nog in 1933 in een pand aan de Nieuwe Markt 11a een tapisseriefabriek. Ik volg de samenvatting van de bij het Historisch centrum Overijssel bewaarde Kamer-van-Koophandel dossiers. Het bedrijf verhuisde in maart 1937 naar de Korte Kamperstraat 10 / Jufferenwal 7. In het kader van de Duitse maatregelen om Joodse ondernemers uit het economisch leven te stoten, werd Erich in 1942 domweg weggestuurd en werd er een beheerder aangesteld. In datzelfde jaar werd het bedrijf verplaatst naar Deventer en ging daar verder onder de naam Fabriek van Damehandwerken "De Adelaar". 

Begoniastraat 2, Zwolle
Zoals gezegd was Carl Rosenthal de uitbater van Kaufhaus Hirschland in Sterkrade-Oberhausen. Over hem en zijn gezin gaat het even in een bijzonder boek Annas Spuren, waarin Sigrid Falkenstein de gang nagaat van haar nichtje Anna ("met een beperking") die slachtoffer wordt van het 'euthanasie' project van de Nazi's. 

boek waarin familie Rosenthal genoemd wordt
Terzijde: het lijkt me een enormiteit dat Anna's lot niet vermeld wordt in een/het andere boek over Oberhausen Jahre des Terrors, van Erik Emig, z.j. waarin  de slachtoffers van het Nazi-regiem bij name worden genoemd: de mensen van het verzet, de Joodse slachtoffers en de vervolgden vanwege hun religie of wereldbeschouwing zoals de Vrijmetselaars en dus geen categorie voor geesteszieken en mensen met een mentale beperking. Deze Sigrid Falkenstein en haar nichtje Anna zijn geen familie maar kruisen in het genoemde boek het pad van de Rosenthals.
  
Niet alleen was Anna's moeder een poosje stagiaire bij Carl Rosenthal maar wordt zelf bij hen in huis genomen: "Als deine Mutter (= Anna's moeder ) Anfang des letzten Jahrhunderts Lehrmädchen im Kaufhaus Hirschland war, lebte sie einige Jahre im Haus der jüdische Eigentümerfamilie Rosenthal und von daher kannte sie zweifellos deren Kinder Erich und Otto. Du teilst mit den beiden nicht nur den Geburtsort Sterkrade - viele Jahrzehnte später finde ich die Namen von Otto und Erich im Gedenkbuch für Opfer der Verfolgung der Juden unter der nationalsozialistischen Gewaltherrschaft. Beide wurden 1942 nach Auschwitz deportiert und dort ein Jahr später im Namen derselben Ideologie vergast wie du. Und noch ein weitere unheilvolle Verbindung existiert zwischen euch. Dein Mörder, der "Euthanasie'"-Artz Hortst Schumann, war ab 1942 als Lagerarzt in Auschwitz an medizinistischen Experimenten und an der Selektion von Häftlingen beteiligt. Er konnte dort auch Otto un Erich begegnet sein."


Volgens het Herinneringsboek Joods Zwolle 1940-1945 is Hedwig Rsenthal-Neustadter vermoord in Auschwitz op 5 november 1942. Erich en zijn zoon Karl Rosenthal zijn vermoord op 31 maart 1943. 

Overigens had Erich een zus Else Jahn-Rosenthal (Sterkrade, 1896) die getrouwd is geweest met Rudolf Jahn. Zij kreeg met hem twee kinderen Annemarie Jahn (geboren in 1920 in Berlijn) en Herbert Jahn (geboren in Berlijn, in 1924). Else heeft de oorlog zeker overleefd en verbleef tijdens de oorlog in Letland. Zij is in 1945 naar de USA geëmigreerd, naar Los Angeles, California. Waar haar vader Rudolf Jahn tezelfdertijd was, waarvan haar moeder was gescheiden, is onbekend.  

Annemarie Jahn heeft de Holocaust ook ontlopen. Van haar zijn twee Nederlandse adressen bekend: Westerhoutpark 14, Haarlem, het Instituut van het Duitse vluchtelingenechtpaar Pollatz, en Vondellaan 9 in Aerdenhout, hoofdbewoner Mooy. Als dienstmeisje van mevrouw Mooy heeft ook zij, officieel geregistreerd als half-jood, het einde van de oorlog gehaald.

Herbert (Albert) Jahn, neef van Erich Rosenthal
Over het Instituut Pollatz is wel het een en ander bekend. De niet-joodse heer en mevrouw Pollatz,  uit Duitsland, dreven aan het Westerhoutpark in de jaren '30 en '40 een kostschool voor kindervluchtelingen uit Nazi-Duitsland. Meer over deze Quakers-familie die zelf voor Hitler uit Dresden was gevlucht is te vinden op deze website  https://onh.nl/verhaal/instituut-pollatz-in-haarlem. Er is een boek verschenen over dit instituut en er is een monument onthuld.

de kostschool voor Joods-Duitse kinderen van vluchtelingen
Annemarie en haar broer Herbert zijn in oktober 1934 naar deze kostschool gekomen. Lang hebben zij daar gewoond en hebben daar rijkgeschakeerd onderwijs, een sterk humanistische opvoeding en een brede culturele vorming genoten. Zij behoorden tot de laatsten die na de winter van 1941-1942 nog bij de Pollax-familie verbleven. Herbert was toen 17 en ging bij een baas werken om het vak van  schrijfmachinereparateur te leren. Hij kreeg in 1942 een oproep als rekruut voor het Duitse leger maar werd afgekeurd omdat hij de Ariërverklaring niet had getekend. Aan de keuring hield hij een Wehrpass over waarmee hij bij een aanhouding als een gewone Duitser werd gezien. Aldus bovenstaand boek (pagina 77). In dat boek wordt met een passende bewondering verteld over de kalme onbevreesde daadkracht van het echtpaar om in 1942 en 1943 joodse baby's en peuters op te vangen en te verbergen, soms afkomstig uit de creche aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam, soms 'aangeleverd' door het Amsterdamse of Utrechtse studentenverzet.

Je vraagt je af of Annemarie en Herbert niet ook op bezoek zijn geweest bij hun oom en tante Erich en Hedwig in de Begonistraat en hun oudoom en oudtante Adolf en Sophia in de Hortensiastraat. Wij zullen het nooit weten.

Annemarie is na de oorlog geëmigreerd naar de USA. Het hierboven aangehaalde boek vermeldt dat zij in 2007 is overleden in Los Angeles, California. Onbekend of zij getrouwd is en/of kinderen heeft gekregen.
Herbert is in elk geval naar Palestina geëmigreerd, althans aanvankelijk. Op het internet is daaromtrent een dossier te vinden. Daaruit blijkt dat hij op zijn vluchtroute door Frankrijk, Spanje en Portugal in Lissabon een Nederlands paspoort gekregen waarmee hij is doorgereisd. In Engeland heeft hij dienst genomen bij de Royal navy om bij te dragen aan de geallieerde overwinning. Sobere feiten voor een moedig verhaal. Wat jammer dat ik daaromtrent geen nadere details te weten kon komen.
Dan meldt hij zich bij de Palestijnse immigratiedienst in 1946. In Israel laat hij zich Albert noemen.
In zijn naturalisatiedossier staat dat Albert het Hebreeuws is voor Herbert.

In 1951 heeft hij Israel verlaten en is geëmigreerd naar de VS (met de KLM). In 1953 trouwt de Tsjechische Miriam Neuman met hem. Zij krijgen een dochter Elaine Fay in 1955. Herbert verdient de kost als boekhouder en werd dus geen schrijfmachinereparateur.

Op 30 april 2005 is Herbert/Albert overleden in Studio City, Los Angeles County, California.
De schrijvers van voornoemd boek hebben kennelijk geen contact kunnen krijgen met nazaten van de familie Jahn, want de memorabele vlucht naar Engeland, de Royal Navy en de immigratie in Palestina worden niet vermeld. Alleen zijn sterfdatum en zijn laatste woonplaats.

Nog enkele foto's uit dat boek waarop Annemarie en Herbert toch zouden moeten staan.


Anne Frohnhausen-Rosenthal, zus van Erich Rosenthal

Erich had nog meer broers en zusters. Kurt Rosenthal, geboren in 1902 is verder onvindbaar. 
Zus Anne Frohnhausen-Rosenthal (Sterkrade 1899) die met Frohnhausen trouwde had één kind Ruth Frohnhausen. Uit de naturalisatie-papieren begrijp ik dat zij haar naam veranderde in Rut en ook haar familienaam aanpaste? Anne, Hans en Ruth zijn in 1933 voor het eerst in Palestina. Of zij zich daar dan ook dadelijk metterwoon vestigen, weet ik niet. Als zij genaturaliseerd wordt in 1944, is net haar man Hans Frohnhausen uit Essen overleden, in Jeruzalem.

Of deze broers, zussen, nichten en neven ook in Zwolle op bezoek zijn geweest, is niet bekend. 

PS. 
Kurt Neustadter de naar de VS geëmigreerde zoon van Adolf en Sophie had twee zonen: Roger Nicholas Neustädter, geboren in 1943 en Gary Kurt die inmiddels jong is overleden (1948-1978).
Roger is in 1965 getrouwd met Patricia Ann Winokur (1945). Patricia stierf in 1971. Twee jaar later huwde Roger Susan Jenkins (1944). Susan overleed in 2009.
Roger heeft al weer een paar jaar geleden de zaak verkocht:

Nov. 17--Kaufman's, an institution in Eugene's retail clothing sector for 63 years, will have its last sale -- a going out of business sale -- before the end of the year. Owner Roger Neustadter said weak sales growth and rising expenses persuaded him to close the Kaufman's in Valley River Center, plus the Kaufman's in Corvallis, Albany and Bend. Kaufman's, founded in Eugene in 1937 by German immigrants Ludwig and Trude Kaufman, built a reputation for selling high-fashion women's clothing and providing customer service. "We just felt that the future did not bode well for this type of business," Neustader said Wednesday.
The closing will force 100 employees to look for new jobs, including 50 in Eugene.

Nog steeds probeer ik Roger Nicholas Neustädter op te sporen en contact met hem te krijgen. Mogelijk woont hij half om half in Italië en California

nieuwe brief verstuurd naar het aangegeven adres in California

De vijfde Stolperstein in Zwolle voor deze familie. 

Otto Rosenthal, geboren in Sterkrade in 1895, was 39 toen hij stierf in Bobrek, het subkamp van Auschwitz waar Siemens Joodse dwangarbeiders inhuurde voor zijn aandeel in de Duitse oorlogsindustrie. 
Van Otto is geen foto overgeleverd. Hij was de broer van Erich Max Rosenthal en zal voor en met hem gewerkt hebben in de textiel fabriek die Erich hier in Zwolle was begonnen (zie hierboven). 
In oktober 1933 was hij naar Zwolle gekomen en hij woonde in wat toen wellicht ook al een bouwvallig huisje was aan de Van der Laenstraat 61a in Zwolle, in de jaren 70 afgebroken. 
Hij stond geregistreerd als employé en als handelsbediende.

jaren 70, vóór de afbraak
Brobek, van de dwangarbeiders die te werk gesteld waren door Siemens zijn enkele foto's op het internet bekend. We zullen nooit weten of Otto Rosenthal op één van deze toch al vage foto's staat. Des te onwaarschijnlijker is dat omdat in één van de op het internet gevonden tekst staat dat Siemens pas in de late herfst van 1943 naar hier kwam, na de bombardementen op de Berlijnse Siemens-Schukert Werke. (vgl. de officiële website  Memorial and Museum Auschwitz-Birkenau). Wat Otto Rosenthal cs daar dan deden is niet duidelijk. 
De Wikipedia tekst laat Siemens deze dependance in 1940 openen.

de nadering van de Russische troep heeft Otto Rosenthal niet meer beleefd; Bobrek staat ingetekend direct boven Auschwitz
'; 



fabriekshal Siemens in Bobrek

volgens het onderschrift bij deze foto is hier de originele hal te zien ?

Otto Rosenthal is begraven op de begraafplaats van Bytom (Polen), zo is meegedeeld in een brief van het Gezantschap van het Koninkrijk der Nederlanden in Polen (1947).

Joodse begraafplaats in Bytom monument voor slachtoffers kamp Bobrek

Otto genoemd op monument Joodse begraafplaats Bytom

Op de website JoodsMonument wordt verder een lijstje getoond van slachtoffers van Bobrek. Merkwaardigerwijs staat daarop een 7-jarige Rotterdamse jongen boven aan. Otto Rosenthal uit Sterkrade (Oberhausen) staat vermeld als Orri Rosenthal uit Kerkrade. De sterftedata zijn vrijwel alle uit maart - mei 1943.

Otto Rosenthal maakte deel uit van de zogenaamde Koselgroep. Ik haal de tekst dienaangaande aan uit de bron www.meertens.knaw.nl:
Men heeft namelijk in de periode van 28 augustus t.e.m. 8 december '42 18 van de 28 deportatietreinen uit Westerbork laten stoppen in Kosel, ca 80 km. voor Auschwitz transporten (hetzelfde is in die tijd met deportatietreinen uit Mechelen en Drancy geschied) en daar heeft men de jongens tussen ca. vijftien en ca. vijftig jaar gedwongen uit te stappen; zij zijn in eerste instantie in werkkampen in de buurt van Kosel terechtgekomen die pas anderhalf jaar later, op 1 april '44, Aussenkommandos werden van Auschwitz of van Gross-Rosen".  (Lou de Jong)
Honderdeenentachtig leden van deze groep hebben het overleefd. Daar hoorde Otto Rosenthal niet bij. Ook Joseph de Leeuwe uit Zwolle en Herman Goudsmid uit Kampen niet. In een publicatie van de IJsselacademie besteedt J. van Gelderen aandacht aan hun lot. Hij maakt in 1984 een herdenkingsreis mee naar onder andere Bytom waar het graf van Otto Rosenthal is.

Op de website Traces of War staat de afbeelding van een enkele jaren geleden onthuld moment op het station van Kosel (Kedzierzyn-Kozle)



Van der Laenstraat met nieuwbouw ongeveer ter hoogte van oud adres 61a

De Stolperstein voor Otto Rosenthal zal gelegd worden in de Van der Laenstraat op deze plek waar in zijn tijd een ander, Assendorpshuisje heeft gestaan. 




donderdag 30 april 2015

DE JOODSE FAMILIE KATZ UIT VACHA

DE FAMILIE KATZ UIT VACHA

Deze familie is typisch voor de Joodse geschiedenis van Duitsland. Generatieslang, veronderstel ik, leiden de Katzen een bescheiden bestaan op het Duitse platteland in het groothertogdom Hessen. Winkelier en (vee)handelaar zullen veel voorkomende beroepen zijn.
Juist hun bescheidenheid brengt mee dat er weinig historische gegevens zijn te vinden op het moderne internet. Wij weten alleen dat Sussmann Katz uit het kleine Volkershäusen naar het grotere Vacha komt en daar een groot gezin sticht.
Maar in de twintigste eeuw komen er kennelijk mogelijkheden voor intelligente en ondernemende leden van deze familie en zij verspreiden zich over de regio, zoals hierna zal blijken.
De opkomst van Hitler en het Nazi-regiem gooit alwat op dat moment bereikt is, te grabbel en de familie Katz moet vluchten, in alle windstreken. Naar het Verenigd Koninkrijk, naar Zuid-Afrika maar vooral naar de Verenigde Staten en (helaas) naar Nederland.

Voor de relatie van Vacha met Zwolle is Selma Katz -getrouwd met Eduard Danneboom- als het ware het symbool. Haar huwelijk werd op 6 mei mei 1902 voltrokken in Vacha. Het was de dag vóór een groot, niet-joods feest: Hemelvaartsdag. Het sneeuwde die dag. Zo bijzonder dat het in de krant stond, de Rhönzeitung.
rechts naast de winkel is (de enige) glimp te zien van de afgebroken synagoge in Vacha



Selma en Eduard gingen wonen in Zwolle.



synagoge in Zwolle


de straat van waaruit ik dit schrijf, waar Emil Weihl en Meta Hollander-Katz woonden en om de hoek Alfred Weihl en Ida Cohn-Weihl en nog een hoek om woonde Selma Danneboom-Katz.

Toen Hitler in Duitsland aan de macht kwam werd het de Joden het leven langzaam maar zeker onmogelijk gemaakt. Het eerste familielid dat naar Zwolle uitweek was Alfred Weihl, een neef van Selma, de jongste zoon van haar oudste zus Nanni Weihl-Katz. Zijn vrouw en zoon volgden en zij woonden hier in dezelfde buurt als Eduard en Selma, de Hertenstraat.
Later volgden Alfreds zus Ida Cohn-Weihl met haar man, zoon en schoondochter met hun zoon en nog later Selma's zus Meta met haar man Max Holländer. De rij wordt gesloten door Alfreds broer, dus ook een neef van Selma, Emil Weihl en zijn zoon Otto Albert.
Zij waren niet allemaal geboren in Vacha en alleen Selma en Meta hadden daar hun jeugd doorgebracht.
Maar reden genoeg om naar Vacha te gaan en daar de museumdirecteur Eugen Rohm op te zoeken.
Van hem kreeg ik essentiële gegevens.
De geschiedenis van Vacha en een groot aantal foto's uit die geschiedenis is te zien op deze website:
http://www.gewerbeverein-vacha.de/geschichte.htm

  


2015



1910

de eerste grensafsluiting via de brug over de Werra bij Vacha, 1958


deze foto dateert uit de tijd dat Vacha (aan de overkant) deel uitmaakte van de DDR en de afgesloten brug de grens vormde































De stamvader is volgens mij Sussman Katz, die aanvankelijk in Volkershäusen woont. Dat ligt op een steenworp van Vacha. Vacha ligt 425 km van Zwolle, 100 km van Kassel.
Sussman Katz werd geboren in 1834 in Erdmannrode. In het handelsregister wordt hij in 1863 vermeld als veehandelaar in Volkershäusen. De naam Bachrach komt ruimschoots voor in de historie van dit dorp, en Sussman trouwt met een telg uit die familie: met Röschen (of ook wel Therese) op 1 november 1855.

de synagoge van Volkershäusen waar Sussmann en Röschen trouwden
moeilijk te geloven dat dit toch echt de synagoge was, nu afgebroken en staat er op die plek een garage




Op de bucolische begraafplaats op een heuvel tussen Vacha en Völkershausen ligt een aantal leden van de Katz-familie, in elk geval Sussmann en Röschen. Van Röschen is de grafsteen bekend (maar de sterfdatum onleesbaar).
Volgens het sterfteregister is Röschen niet in Vacha gestorven. Ging zij na de dood van Sussmann bij één van haar kinderen wonen? Maar kennelijk wilde zij wel bij haar man begraven worden, in Vacha.
En ja, dat klopt. Uit de onderstaande advertentie blijkt dat zij naar Bielefeld is vertrokken. En dat benjamin Benno het 'baasje' is in de familie, blijkt daar ook uit.






Maar eerst ziet men deze steen met opschrift wanneer men de begraafplaats betreedt







1. NANNY KATZ (1856 - 1933)

Nanny (of ook wel Nanni of Nancy) is hun eersteling en wordt nog in wordt nog geboren in Volkershäusen, op 10 januari 1856 . Zij is één van de weinigen van wie een foto bekend is.




Nanny  trouwt met Gerson Weihl (1848 – 1927). Zij gaan wonen in Schlitz en later opent Gerson een textielwinkel in Bad Salzschlirf.  Gersons neef Seligmann Weihl heeft daar een welness-hotel.
Nanny en Gerson krijgen zes kinderen[i]:
·         Adelheid (1886 - 1921)
·         Emma (1881 – 1970) Stierf 20 juni 1970 in Cincinnati, Ohio, USA
·         Helene (1882 – 1883)
·         Emil (1879 – 1943)
·         Ida (1880 - 1943)
·         Alfred (1890 – 1943)
Nanny en Gerson vertrekken op 10 november 1924 naar Osnabrück om van hun oude dag te genieten in het gezin van dochter Emma, en sterven daar een natuurlijke dood.



1.1 ADELHEID (1886 - 1921) is jong gestorven. Zij was 35 en ligt begraven in Wehen. Op haar graf staat dat zij getrouwd was met Isidor (Isi) Falk (1877-1957), die uit Breithardt kwam. Breithardt: daar kwam ook haar schoonzusje Selma Falk, de vrouw van Emil, vandaan. Broer en zus trouwden dus met een zus en broer.
Adelheid en Isidor kregen vijf kinderen: Walter Julius (1911), Irma, Erich, Werner en ?
Isidor had in Breithardt een winkel in kleden en meubels.
Isidor, zijn tweede vrouw Martha, Werner en Irma
Met zijn tweede vrouw Martha Rubens is hij later naar Zuid-Afrika geëmigreerd.

Walter Julius heeft op hoge leeftijd nog gecorrespondeerd met Heimathistoriker Inge Wimmer in Vacha. Zijn postadres in Leeds was 9 Sandmoor Chase.
Walter J. was getrouwd met Clare Wolf (1912 - 1979) die hij verre heeft overleefd.

1.2 EMMA (geboren in Schlitz op 4 juni 1881en gestorven in 1970), Emils zuster trouwde met Gustav Falk (geboren 1879 in Breithardt en gestorven 1955)  en woonde in Osnabrück. Daar zijn de bejaarde Gerson en Nanny in 1924 na beëindiging van de winkel in Bad Salzschlirf naartoe verhuisd en gestorven.
Gustav Falk was de zakenpartner van de broer van zijn schoonmoeder (oom) Max Katz (zie hierna; hij was het 10de kind van Sussmann en Röschen)  uit Vacha. Met een derde partner (Stern) waren zij de directeuren-eigenaar van warenhuis Alsberg in Osnabrück. Deze drie waren gedwongen geweest hun zaak te verkopen. Daar gaat dit krantenartikel over:
Het gezin van Emma Falk – Weihl is na de verkoop geëmigreerd naar de Verenigde Staten.
Emma en Gustav kregen vier kinderen:
1.2.1 John (Hans) (1911 - 1995), drie kinderen
1.2.2 Paul (1906 in Dordmund - 1981), getrouwd met Gretel Daniel, zonen Gideon en Dan
1.2.3 Ilse (1 mei 1909 geboren in Wanne) trouwde op 1 maart 1929 met Gustav Blank (23 september 1897 in Osnabück) en vestigde zich op 11 april 1959 in Zuid-Afrika. Zij kreeg een zoon.
1.2.4 Gretl (= Lea) (geboren in 1914), trouwde met Siegfried (= Jehuda) Levy en emigreerde met hem naar Palestina, Zij kregen drie kinderen.
Volgens een andere bron schijnbaar vijf kinderen. Vgl. http://records.ancestry.co.uk/grete_falk_records.ashx?pid=144903899
De verwarring komt omdat Gretl zich in Palestina Lea is gaan noemen. Gretl en Lea zijn dus dezelfde
Emma is op 20 juni 1970 overleden in Cincinatti, Ohio. Gustav is in Cincinatti overleden in 1955.
Over Gretl zijn summiere gegevens bekend doordat haar vriendin en tegelijkertijd haar schoonzusje Hanna Levy een bekende kunsthistorica is en Gretl  met haar in verband gebracht wordt in interviews.
Een citaat uit een interview te lezen op deze website:
So ist es nicht verwunderlich, dass Hannas Osnabrücker Freundeskreis offenbar vor allem aus jüdischen Altersgenossen bestand. Ein Foto dieses Kreises ist erhalten, auf dem Hanna mit Hans Falk zu sehen ist, dem Bruder der jüngeren Freundin Gretl Falk, in den sie sich mit 13 Jahren verliebte und mit dem sie 4 Jahre befreundet war, bis er Osnabrück wegen seines Studiums verließ.  Mit den Osnabrücker Freundinnen Gretl Falk (in Palästina Lea Levy), der späteren Schwägerin, und  Friedel Katzmann (in Palästina Shlomit Hoek) blieb Hanna zeitlebens eng verbunden. Ihre große Liebe fand Hanna Levy ein Jahr nach dem Ende der Beziehung zu Hans Falk in Fritz Deinhard, einem Cellisten und Konzertmeister am Osnabrücker Orchester, der Frau und 2 Kinder verlassen hatte. 

De laatste drie kinderen EMIL, IDA en ALFRED hebben niet de weg van overzeese emigratie gekozen; om aan de nazi’s te ontkomen zijn zij achtereenvolgens naar Zwolle gekomen en hebben daar gewoond.

1.4 EMIL en zijn vrouw Selma Falk (1884 – 1926) hadden intussen even in Giessen gewoond maar waren teruggekeerd naar Bad Salzschlirf. In 1924 zijn zij opnieuw vertrokken en zijn toen een winkel in Bückeburg begonnen: Kaufhaus Weihl. Zij kregen twee kinderen Ilse en Otto Albert.

Selma's graf is op de Joodse begraafplaats in Bückeburg (met dank aan Klaus Maiwald)


1.4. 1 Ilse (of Ilse Lotte)  (1915  - 18 juli 2003) is tijdig geëmigreerd naar Palestina toen het haar in Hitlers Duitsland verboden werd om rechten te gaan studeren. De eerste jaren werkte zij in de kibboets Deganya. Zij heeft steeds geprobeerd haar familie naar Palestina te laten overkomen, maar de Engelse mandaatpolitiek verhinderde dat. Het hielp niet dat zij haar vader vertelde dat er ‘s nachts kleine bootjes landde op de kust van Palestina en dat de Engelse politiemensen en veiligheids-diensten daarvoor hun ogen sloten.
Ilse trouwde met Tom Rishworth en heeft veel gereisd. Tom was onder andere politieofficier in een Noord-Rhodesische gevangenis. Ilse heeft ook in Zuid-Afrika gewoond en is uiteindelijk in Engeland terecht gekomen. Na Rishworths dood was zij nog gehuwd met Felix Köber maar ook die heeft zij overleefd.
Er moet nog een dochter van haar in Engeland wonen, Efrat(h)  Rishworth, kleindochter van Emil.Efrath woont denkelijk in Engeland en is de dochter van Ilse en haar eerste man Tom Rishworth. 

1.4.2 Otto Albert (1911 – 1943) was in Bückeburg zijn vaders magazijnbediende en kwam in 1934 naar Nederland toen zijn vader gearresteerd werd en werd geïnterneerd in Buchenwald.

Emil was nota bene in de belangstelling van de SA-bruinhemden gekomen die na de machtsovername door Hitler de straten onveilig maakten, doordat de vrouw van burgemeester Karl Wiehe tegen de uitdrukkelijke en geagiteerde oproep van Hitlers partijgenoten om niet in joodse winkels te kopen op straffe van het verwijt van landverraad, toch bij joden bleef kopen, in het bijzonder in Kaufhaus Weihl.

links de winkel die later door Emil Weihl wordt geexploiteerd

boven de markies van de winkel rechts staat KAUFHAUS WEIHL




Haar man werd met Zwangspension gestuurd en Emil Weihl met een aantal joodse winkeliers in Schutshaft genomen en opgesloten en mishandeld in Buchenwald.
Nadat vader Emil na twee jaar vrijgekomen was uit Buchenwald en hij zijn zoon achterna naar Nederland was gevlucht, woonden vader en zoon de laatste jaren in de Venestraat in het pension van Maison van der Lippe, nummer 27a. Dat was hun laatste adres vóór hun deportatie naar Westerbork
Emil is vermoord in Sobibor, naar men aanneemt op 23 juli 1943.
Otto Albert was 32 jaar toen hij in Auschwitz werd vermoord op naar men aanneemt 28 februari 1943.

Emil en zijn jongere broer Alfred dienden in de Eerste Wereldoorlog in een Hessisch Regiment. Vermoedelijk het Infanterie-Regiment Kaiser Wilhelm (2. Großherzoglich Hessisches) Nr.116 waarvoor Giessen de garnizoensplaats was en dat in Giessen werd opgesteld. Emil verdiende een IJzeren Kruis Eerste Klasse in de Slag om Verdun. Hij was één van de negen overlevenden van een bepaalde aanvalsactie en bij terugkeer droeg hij een gewonde kameraad op zijn rug.  Zijn dochter Ilse vertelde later aan Anja Listman, auteur van het boekje Beinahe vergessen. Jüdische Leben in Bad Salzschlirf (z.j.) dat Emil zijn IJzeren Kruis in de vuilnisbak gooide toen Hitler aan de macht kwam en de eerste anti-joodse maatregelen werden afgekondigd.

Emil en Otto woonden het laatst in pension bij de familie Van der Lippe in de Venestraat op nummer 27a, het hoekhuis met de Hertenstraat. 

Bron: Anja Listmann 'Beinahe vergessen. Jüdisches Leben in Bad Salzschlirf' (z.j., Hünfeld)

In de stad Bückeburg in Duitsland liggen trouwens drie Stolpersteine voor de familie Weihl: voor Emil, voor Otto en Ilse. Die stenen liggen voor Schulstrasse 1 waar Emil het Kaufhaus Weihl dreef en waar Otto magazijnbediende was. Men heeft hier een blamerende fout gemaakt door op de steen voor Emil en Otto 'uberlebt' te zetten. 

1918 (of 1917) Emil nog in uniform, met Selma Falk en hun kinderen Otto en Ilse

de beide kinderen in 1923


Mevrouw Vermeulen - van der Lippe heeft als dochter van pensionhouder G.G. van der Lippe, Emil en Otto nog 'meegemaakt', als kind. Maar haar gezondheid verhindert haar om herinneringen op te halen.
mevrouw Vermeulen-van der Lippe voor Venestraat 27a waar Emil en Otto Weihl hebben (in)gewoond





1.5 IDA trouwde met de in Bonenburg geboren Albert Cohn (1873 - 1943). In 1904 kwamen zij uit Dresden naar Witten aan de Ruhr. Zij gingen wonen aan de Bahnhofstrasse 5.


Lang woonden zij daar niet, want in 1909 verhuisden zij naar Osnabrück. Na enkele jaren naar Keulen, denkelijk de Kyffháuyserstrasse 27. Tussendoor nog in Dordmund? is de vraag gezien het feit dat Ida's reispas toen zij naar Nederland kwam vanuit Keulen, afgegeven was door de politie in Dordmund.
In de jaren zestig is de Kyffhäuserstrasse nog eens gefotografeerd:

of dit echt de winkel is als die van Albert Cohn dertig jaar eerder, is onzeker

1.5.1 Julius. Hun zoon Julius en dochter Erna werden geboren in Witten aan de Ruhr.
Ida en Albert zijn door hun zoon Julius en zijn vrouw Alix Rosa Blum naar Nederland gehaald. Na even bij hen te hebben ingewoond, zijn zij De Genestetstraat 9 gaan bewonen. Maar niet voor lang. Ida en Albert zijn omgebracht in Sobibor, naar men aanneemt op 21 mei 1943.
Julius en Alix Rosa Blum die dus al eerder -in 1936-  naar Zwolle waren gevlucht en in de Hertenstraat woonden op nummer 3, overleefden de oorlog, maar hun in Hamburg geboren zoon George (1930 – 1944) werd vermoord in Auschwitz.
Op de website Joods Zwolle vertelt Mirjam Kan de tragische ontwikkeling van de onderduik van Julius en Alix in Hattem en hun van zijn ouders gescheiden ondergedoken zoon George op Landgoed Molencate.

Julius, Alix Rosa en hun zoon George  in betere tijden; halma spelend (bron: joods zwolle)

Julius was in 1933 tot doctor in de filosofie gepromoveerd. Ook Alix had een doctorstitel in de Franse taal- en letterkunde. In Nederland kwamen zij niet aan de bak.
Oom en buurman Alfred Weihl die op nr.5 in de Hertenstraat woonde, was een leerfabriek, de Zwolse Lederwaren-fabriek N.V. Welma, begonnen. Welda maakte onder andere zadeldekjes en tassen. Eerst op de Thorbckegracht en later in de Diezerstraat, nog later in de Spoelstraat en kennelijk daarna ook nog in de Mandjessteeg (bron: dossiers van de KvK).






links in de dubbele portiek is nr. 3 en rechts nr. 5, de huizen van Alfred Weihl en neef Julius Cohn


Arisierung
































































Toen zijn compagnon dr. Ernst Marks eruit stapte en verhuisde en neef Julius Cohn op nummer 3 kwam wonen, heeft hij met hem het bedrijf voortgezet. Maar voor even, want in daarna opgemaakte documenten is Julius Cohn de enige formant.
Later zijn de Cohns naar Hattem verhuisd.

Na de oorlog heeft Cohn het bedrijf dat 'overgenomen' was door 'ariër' A. Teunissen, teruggekregen. Het bedrijf was in de jaren zestig gevestigd op het adres Industrieweg 1 in Zwolle.

Bij een auto-ongeluk in 1972 is Julius om het leven gekomen en niet lang daarna heeft zijn vrouw Alix zelfmoord gepleegd.


1.5.2 Erna. Erna verhuisde van het ouderlijk huis in 1925 naar Duisburg, waar zij twee jaar later trouwde met Hermann Rosenberg uit Hörde.
Zij is nog eens op bezoek geweest in Zwolle, met een zoontje. op 21 november 1937 werd zij hier in Zwolle ingeschreven in het vreemdelingenregister. Zij bleef bijna vijf maanden en vertrok toen via Rotterdam naar Rusland, lijkt het.
Er wordt in verschillende registers in Duitsland van uit gegaan dat zij "in den Osten" is gedeporteerd. Ik begrijp dat het wel vaststaat dat zij in Sobibor vermoord is en na de oorlog dood verklaard is..



De familie komt voor in het boek van Martina Kliner-Lintzen en Siegfried Pape: “…….vergessen kann man das nicht”. Wittener Jüdinnen und Juden unter dem Nationalsozialismus, waarin van alle Joden die in Witten gewoond hebben vanaf zo ongeveer 1850 een kortere of langere biografie opgenomen is. 

1.6 ALFRED was de jongste. Voor hem en zijn vrouw Grethe Marburger zijn in de periode 2003 – 2009 in Duisberg, in de wijk Marxloh voor het pand Kaiser Wilhemstrasze 309 Stolpersteine gelegd.  Dit zijn de bijbehorende teksten:


Alfred en Margarethe emigreerden naar Nederland en woonden in de Hertenstraat, nummer 5. Om in zijn levensonderhoud te voorzien was Alfred met zijn buurman dr. Ernst Marks een lederwarenfabriekje begonnen, WELDA, zoals hierboven al verteld toen het over Julius Cohn ging, de zoon van Alfreds zus Ida en haar man Albert Cohn.. Want met Albert Cohn heeft hij het bedrijf voortgezet toen Marks eruit stapte en verhuisde. De familie Cohn kwam toen naast Alfred en Margaretha wonen op nr. 3 in de Hertenstraat.

een weliswaar beschadigde maar unieke foto van Alfred, Grethe en hun zoon Walter

Grethe en Alfred Weihl in Zwolle
Margaretha was een erudiete, gestudeerde, ‘filosofische, moderne vrouw’ die les gaf in Ivriet en Engelse handelscorrespondentie. Van beroep was zij lerares Engels, Frans, Duits en muziek. Zij heeft ook hier in Zwolle les aan huis gegeven.

1.6.1 Walter Hun zoon Walter ging in Zwolle naar de HBS. Hij was ook keeper in de jeugd bij PEC en van 'voetbalclub Korenbloemstraat en omgeving'. Walter Weihl, die in 1940 uit Zwolle was vertrokken om in Deventer in de kost te zijn, kwam in april 1943 in Auschwitz om het leven. 
Zijn ouders gingen van Zwolle naar Westerbork en verder en stierven eveneens in Auschwitz, in oktober 1943.

Alfred, Margarethe, Emil, Otto Albert en Ida maakten deel uit van een groep van ongeveer 90 uit Duitsland voor de Nazi’s gevluchte Joden. Van veel van hen is maar heel weinig bekend.
Des te opmerkelijker de vondst die op een zolder in de Oosterstraat gedaan werd in april 1998. De bewoners troffen op zolder een kistje met documenten en sterk aangetaste foto’s afkomstig van Alfred en Margarethe Weihl. Het Historisch Centrum Overijssel bewaart deze documenten en foto’s.

Hertenstraat 3 en 5 anno nu



2. HENRIETTE JETTJE KATZ (1858 – 1927)

Jettchen heet zij ook wel. Van haar is niet veel bekend. Zij was ongetrouwd en heeft haar ouders verzorgd tot hun dood. Hier een mooie, bijzondere advertentie van Jettchen die zich kennelijk ook in Vacha al Henriëtte liet noemen. De advertentie is van 1898.








































nieuwjaarswens van Henriette in de Rhönzeitung 1908


Nog even over vader en moeder Katz: vader Sussman overleed in 1907; moeder Röschen is niet in Vacha overleden maar ligt daar wel begraven; op haar grafsteen is haar sterfdatum onleesbaar.

Na het overlijden van haar ouders is Henriëtte bij haar zuster Meta, getrouwd met Max Holländer, in Bielefeld ingetrokken. In 1911 komt zij naar Nederland en woont dan dertien jaar bij haar zus Selma die getrouwd is met Eduard Danneboom, aan het Klein Weezenland 16. Of  Henriette de verhuizing naar de Groenestraat heeft meegemaakt, is mij niet bekend. In elk geval gaat zij in 1924 terug naar Bielefeld. De ambtenaar van de burgerlijke stand noteert ‘ambtshalve’ haar overlijden op 20 september 1927.


Van haar moet een foto zijn, in een poesiealbum: Memoir book belonging to Annie Troostwijk Danneboom from her childhood, including autographs and dedications written to her by family members and friends in Zwolle, 1911-1917
Pasting of a photograph of her aunt Henriette Katz along with a dedication written in Zwolle, 13 March 1911 (in the book, p. 1); pasting of a photograph of her brother Jacques along with the dedication of a poem he had written in Zwolle, 07 March 1917 (in the book, p. 85).

3. IDA (JUDITH) (1859 - ?)

Over haar is mij niets bekend. Ook zij is nog in Völkershausen geboren.

4. KAUFMANN KATZ (1861 – 19..)

Kaufmann krijgt drie kinderen met Johanna Goldberg (geb. 1865 in Kassel). Zij trouwden in Kassel (in 1891) maar gingen weer wonen in Vacha? Kaufmann was veehandelaar en dan woon je ook vast niet in Kassel. Hun dochter Irma is ten slotte ook in Vacha geboren op 4 augustus 1893. In een foutief aan Yad Vashem gedane opgave zijn de kinderen in Detmold geboren. Dat geldt ook voor de in 1894 geboren broer  Moritz.[i].
Kaufmann en Johanna kregen in 1896 een derde kind, hun tweede zoon: Wilhelm, ook in Vacha.



(Ich) konnte aus den Meldeunterlagen der Stadt Detmold folgende Daten ermitteln:

der Kaufmann namens Kaufmann Katz, geboren am 19.3.1861 in Völkershausen (Kreis Dermbach), kam aus Bielefeld, Lützowstr. 10, nach Detmold. Er wohnte seit dem 1.10.1909 in der Exterstr. 21.

Johanne geb. Goldberg, geb. am 8.9.1865 in Kassel und Wilhelm, geb. am 12.5.1896 in Vacha, kamen aus Kassel, Holländische Str. 47 nach Detmold.

Die „Modistin“ Irma Katz, geb. am 4.8.1893 in Vacha, Kreis Dermbach, kam am 21.6.1910 von Göttingen nach Detmold. Sie meldete sich immer wieder kurzfristig an und ab und hat mehrfach in Bielefeld und Duisburg gelebt. Später wurde ihr der Zusatz „jetzt Ehefrau Klestadt“ angefügt.

Wilhelm Katz ist als „cand.med“ bezeichnet, also als Student der Medizin. Er hat zwischenzeitlich in Bielefeld, Göttingen und auch Würzburg gelebt.

Familie Katz wohnte in der Exterstraße, seit dem 1.10.1911 in der Emilienstr. 26, seit dem 11.5.1915 in der Elisabethstr., seit dem 13.6.1917 Wall 13.

Kaufmann Katz wurde zum 31.3.1921 abgemeldet nach Sterkrade, Steinbruchstr. 4.

Sein Sohn Wilhelm ist am 1.5.1922 vom Landkrankenhaus an der Lageschen Straße nach Sterkrade, Steinbruchstr. 4. abgemeldet.

Moritz Katz konnte ich auf den Meldeunterlagen von Kaufmann Katz nicht nachweisen.

Mit freundlichen Grüßen

i.A. Bärbel Sunderbrink

Noot: 
Er bestaat geen Steinbruchstrasze daar maar wel een Steinbrinkstrasse. Het is waarschijnlijk een leesfout van een archiefkaart in het oud-Duits. 
Steinbrinkstrasse is ook daarom aannemelijk omdat die pal in het centrum is, op loopafstand van de winkel van Ernst en Irma Klestadt-Katz:




Johanna Katz-Goldberg is al drie jaar dood, gestorven op 15 maart 1918, als Kaufmann op z'n zestigste dus uit Detmold naar zijn dochter en schoonzoon Irma en Ernst Klestadt-Katz in Sterkrade verhuist. In Geschichte der Duisburger Juden (1986) staat dat Kaufmann in 1928 naar Hamborn kwam waar hij woonde in de Gertrudenstraat 4a, tot ongeveer 1933. Waarschijnlijk is dat zijn sterfjaar. Hij woont daar dicht in de buurt van zijn zoon Wilhelm die arts is in Hamborn en op 50 meter afstand net om de hoek in de Weseler Strasze woont (eerst nr. 88 later nr. 94).


1892 advertentie van Kaufmann Katz in de Rhönzeitung


4.1 IRMA trouwt met Ernst Klestadt. Ernst (geboren in 1893 in Büren) drijft een Kaufhaus in Sterkrade, bij Oberhausen met Louis Mayer. Zij moeten dat bedrijf opgeven in het kader van Arisierung en het gezin Klestadt-Katz vertrekt in 1937 naar Duisburg, de Mülheimer Str. 182, maar vlucht in 1939 via Keulen alsnog naar Utrecht in 1940.





 Dit is de Bahhnhofstrasse.













Louis Mayer (Jg. 1885) und Gertrud Mayer (Jg. 1895), geb. Bauer, führten mit Ernst Klestadt das Kaufhaus „Mayer und Klestadt“ in Sterkrade. Als Juden wurde die Familie seit 1933 verfolgt. In der  Pogromnacht 1938 wurde das Kaufhaus verwüstet.  

In het boek Jahre des Terrors, van Erik Emig, z.j., staat zonder verdere toelichting deze omineuze zin (over de pogrom op 10 november 1938): In Sterkrade richtete sich die Volksbewegung hauptsächlich gegen die Firma Mayer und Klestadt." (pagina 124)    
Emilienstrasse 26, Detmold
Irma wordt vermoord in Sobibor op naar men aanneemt  23 april 1943. Hun jongste kind Wolfgang (1932) volgt zijn moeder in de dood.
Wolfgang zat in Utrecht op de O.L.O. in de Laan van Puntenburg maar moest daarvan af op last van de Duitsers per 1 september 1941.
 Ernst is in 1942 een natuurlijke dood gestorven in Utrecht. Irma heeft haar oudste zoon, Gerhard (1921) naar England laten gaan. Zijn verengelste naam is John Gerald Kinstead.
Het echtpaar heeft nog twee dochters Hannelore (1923) en Margot (1927). Hun lot is mij onbekend; ze ijn in elk geval niet meegegaan naar Utrecht.


        Irma Klestadt – Katz                       Ernst Klestadt


Na de oorlog komt Kinsteadt op tegen de 'vijandige overname' door Kaiser and Ganz




dossiers in het Stadtarchiv in Neuss


4.2 MORITZ sneuvelt in de Eerste Wereldoorlog, op 15 juli 1915. Hij dient in het Padeborner Infanterie Regiment Nr. 158. In januari van dat jaar was hij al eens gewond. Uit de regimentsgeschiedenis blijkt dat hij in de Champagne moet zijn gesneuveld, nog voor de grote herfstslag daar begint, waarschijnlijk bij een geslaagde actie van de Fransen in het kader van de mijnenoorlog ('Sprengung') in de buurt van Marne en Tahure. Zijn regiment lag toen in het Lager Neu Paderborn.
In de Mitteilungen van het Jüdisches Archiv (1916) wordt Moritz genoemd als Katz Moritz, Zugsführer des Feldhaubitzen-Regiments Nr. 10.


Van Moritz is geen graf bekend. Voor de oorlog woont hij in Detmold, in het ouderlijk huis.
Beeld uit de regimentsgeschiedenis van het Infanterie regiment nr. 158 dat ten tijde van de dood van Moritz in de Champagne bij Tahure ligt.
Door de gevechten in de jaren daarna is er van de begraafplaats van dit regiment niks herkenbaars over.
Moritz diende kennelijk in de zesde kompagnie van het regiment
geen lafaard: op een waarnemings- of luisterpost in het niemandsland voor de eigen eerste lijn

Voor hem en de andere jonge mannen uit Vacha die sneuvelden, is in Vacha dit ongewone, door een plaatelijke maecenas bekostigde beeld geplaatst:
monument voor de gevallenen in Eerste (en Tweede) Wereldoorlog in Vacha, Kirchplatz

4.3 WILHELM. Over hem kunnen we weer wat uitvoeriger zijn. Hij ligt begraven op een kleine joodse begraafplaats in Duisburg-Hamborn, toevalligerwijs vlakbij de ouders van Grethe Marburger, de echtgenote van Alfred Weihl. Een ‘Heimat-onderzoeker’ heeft het volgende gevonden:

Der Blick fällt auf den Grabstein von Dr. Wilhelm Katz (12.05.1896; - 09.01.1936). Der Hamborner Heimatforscher Hans-Joachim Meyer hat sich mit ihm beschäftigt. „Dr. Katz“, berichtet er, „war ein überaus beliebter Frauenarzt.“ Aber die Nazis erteilten ihm 1933 Berufsverbot. Das entzog ihm die Existenzgrundlage. Das Nazi-Hetzblatt „Der Stürmer“ hatte eine Kampagne gegen ihn gestartet. Man warf ihm unter anderem kommunistische Tendenzen vor. Die Gestapo nahm ihn in Schutzhaft und misshandelte ihn. „Nachgewiesen wurden all die Vorwürfe nicht“, sagt Meyer, der viele Akten gewälzt hatte. Dr. Katz ging an diesen Zumutungen zugrunde.
En een andere bron:
Der in Vacha/Thüringen geborene und in Würzburg promovierte Arzt unterhielt seit 1924 eine Praxis in Hamborn. Als 18-jähriger junger Mann hatte er sich im August 1914 als Kriegsfreiwilliger gemeldet und wurde mehrfach verwundet, sein einziger Bruder war 1915 gefallen. Als Arzt war er im April 1933 von den nationalsozialistischen Boykottmaßnahmen betroffen. Katz, der nicht nur für seine nicht-jüdische Frau Klara geb. Hellekamp, sondern auch für eine ebenfalls nicht-jüdische geschiedene Frau und ein Kind aus erster Ehe sowie acht Angestellte sorgen mußte, verlor seine Existenzgrundlage. Sein Einspruch blieb erfolglos, zudem wurde er mehrmals wegen angeblicher kommunistischer Umtriebe verhaftet. Er starb im Alter von nur 39 Jahren.

Een collega Heimatforscher met andere woorden:

„Marburger und seine Ehefrau Johanna waren tragende Säulen des gesellschaftlichen Lebens in Hamborn“, sagt Jörg Weißmann, „sie hielten Literaturabende ab und waren in der bildenden Kunst aktiv.“ Außerdem gründete Marburger mit anderen sportbegeisterten Hambornern im Jahre 1926 den Sportverein Bar Kochba – drei Jahre, bevor in Duisburg der erste jüdische Sportverein gegründet wurde.

Am Grabmal für den Marxloher Arzt Wilhelm Katz verweilten Weißmann und seine Begleiter ebenfalls. Der beliebte und fähige Hamborner Mediziner kam nie darüber hinweg, dass ihm 1933 durch das Nazi-Regime die Berufsausübung verboten wurde. Nach drei Jahren couragierten, zivilen Eintretens für seine Bürgerrechte starb Katz im Jahre 1936 und wurde im Röttgersbach begraben.

Wie tief die Heimatverbundenheit der Hamborner jüdischen Glaubens war, mag auch die Geschichte des Ehepaares Marburger belegen. Gustav Marburger starb 1936 eines natürlichen Todes. Seine Frau Johanna wurde im Vernichtungslager Bergen Belsen 1944 von den Nazis ermordet. Doch war es der Familie wichtig, dass ihr Grabstein nach Hamborn kam. Sie ruht neben ihrem Mann.
Die letzte Beerdigung auf dem mittlerweile denkmalgeschützten Friedhof fand im Jahre 1948 statt: „Als einer von zwei Brüdern verstarb, die beide wie durch ein Wunder das KZ Theresienstadt überlebt hatten“, sagt Weißmann, „da war es seinem Bruder wichtig, dass der Tote trotz des erlebten Grauens in seiner Heimat begraben wird. In Hamborn.“

Wilhelm promoveerde in 1921 op een proefschrift over het onderwerp (titel); Beitrag zur operativen Behandlung der Retroflexio uteri













































Kennelijk leeft er nog minstens één nakomeling van Kaufmann en Johanna en dat moet een kind of zelfs kleinkind zijn van Wilhelm. Die was tweemaal getrouwd en had uit zijn eerste huwelijk een kind. Denkelijk is dat dus Christine Vallon-Katz. Woont in Antibes,  Juan les Pins. Met drie telefoonnummers maar mijn Frans laat niet toe dat ik haar ga bellen.
Ik heb haar wel geschreven, maar zij heeft (nog) niet geantwoord.
Uit de Geschichte der Duisburger Juden maak ik op dat Wilhelm (nog?) een dochter heeft, Irma,  geboren op 31 juli 1934. Is dat de moeder van Christine? Of een halfzusje, Wilhelms kind uit het tweede huwelijk?
Klara Lina Sophie Hellekamp, Wilhelms tweee vrouw, is geboren in Bruckhausen, een deel van het toen nog zelfstandige hamborn, op 30 juli 1907. Haar vader Heinrich geeft haar aan op 5 augustus 1907.


1922 Fasching Wilhelm Katz, maar 'onze'Wilhelm Katz?
\


[i] In de Verlustliste van het Duitse leger waarin Moritz tweemaal voorkomt, als gewonde en als gevallene, wordt Vacha als geboorteplaats gegeven. Op het graf van Wilhelm wordt ook Vacha als geboorteplaats vermeld.


5. PAULINE KATZ (1863 - ?)

Pauline is geboren op 27-4-1863 in Völkershausen. Overigens is er over haar niets bekend. Stond zij soms in de winkel ván en mét Henriëtte?

6. JULIUS (1.12.1864 - 11.12.1865)

Hij was nog een zuigeling toen hij stierf

7. REGINE KATZ (1865 - 1903)

Regina is geboren en gestorven in Vacha. Zij was ongetrouwd, zoals blijkt uit haar overlijdensadvertentie in de Rhönzeitung.

(jammer van die streep)


8. MALCHEN (Emma) (1868 - ?)


Woonde zij met Emanuel Gumpert, koopman, aan de Grüner Weg 29 in Kassel? In 1930 wordt achter Emanuels naam ‘Privatmann’ vermeld. In een register in Vacha is Malchen die zich kennelijk Emma laat noemen, geboren op 12 september 1868.
Volgens de profielbeheerder van ‘Geni’, Debbie Schwab, kreeg het echtpaar twee kinderen die beiden jong stierven.
Ook Emanuel en Emma komen niet  voor in de registers van Yad Vashem. Emma zal vóór 1933 zijn gestorven, afgaande op de omstandigheid dat (alleen) Emanuel Gumpert in 1933 voorkomt in een inventarisatie van Joodse inwoners van Kassel.
Synagoge in Kassel

Het huis aan de Grüner Weg bestaat niet meer. Een krankzinnig bombardement op Kassel op 22 oktober 1943 heeft veel slachtoffers gemaakt, juist ook in de wijk waar de Grüner Weg is.

Annie Troostwijk, dochter van Selma Katz en Eduard Danneboom, Zwolle, heeft op haar Duitslandreis ook Kassel aangedaan. Zij verbleef er van 9 augustus tot 18 augustus 1920. Kort samengevat was haar verblijf hier heel gezellig. 



9. HANNCHEN (Hedwig) (1870 - 1943)

Hannchen liet zich Hedwig noemen en trouwde met Alfred Löwenstein (1870 - 1943). Zij woonden in Ahaus, in de Van Deldenstrasse 12 waar Alfred een groothandel in leer en schoenmakersbenodigdheden had, toen zij naar Nederland vluchtten.
Heel laat in de tijd, op 23 december 1942 (als dat klopt).
In Maastricht woonden zij in de Brugstraat 31.Voor hun toenmalige woning zijn in 2005 door kunstenaar Gunter Demnig drie Stolpersteine gelegd: voor Hedwig en Alfred omdat zij in Sobibor vergast en vermoord zijn, en ein Stein für ihre vertriebenen sechs Töchter, die den Holocaust in der Fremde überlebten.
Volgens anderen: voor hun dochter Emma die volgens haar Stolperstein de Holocaust zou hebben overleefd. (Klopt dat?).
Emma was in elk geval in 1939 naar Amsterdam geëmigreerd. Zij kreeg vijf kinderen met Josef Meyberg. Het hele gezin is naar Auschwitz gedeporteerd en daar vermoord.

Lowenstein-Katz, hatten sechs Töchter und einen Sohn namens Max, der 1911 im Alter von zwei Jahren starb. 1942 flüchtete Alfred Löwenstein mit seiner Frau in die Niederlande und wurde von dort in das Vernichtungslager Sobibor in Polen deportiert.
Tochter Emma, geb. am 13.05.1872 in Ahaus, heiratete 1892 Josef Meyberg und hatte fünf Kinder. Die Familie emigrierte 1939 nach Amsterdam, wurden 1943 nach Auschwitz deportiert und dort ermordet.
Hier klopt iets niet. Een dochter die twee jaar jonger is dan haar moeder ....
Zo gaat dat: één begint met een dochter Emma en alle anderen schrijven dat over. Emma Löwenstein is dus niet de dochter  van Hannchen en Alfred Löwenstein.
De zes dochters heten Ruth, Else, Ina, Martha, Lydia en Bertha (volgens Debbie Schwab op geni-web. Zoek nog naar bevestiging en details. Dat is nodig ook want hieronder blijkt dat één van de dochters Regina heette die kennelijk trouwde met ene Shapir.

Het probleem is eenvoudig opgelost: Ina en Regina is / zijn dezelfde.  Haar man Schocken liet zich in Palestina Sjapir noemen. En zo is Judith Shapir een kleindochter van Hannchen Katz uit Vacha.
De zes kinderen op een rij:
9.1  BERTHE (1899 - 1977)
9.2  MARTHA (1900 - 1979), in 1946 in Maastricht getrouwd met Theodore Goldsmith
9.3  ELSE (1901 - 1962), in 1931 in Dessau getrouwd met Martin Biltzin
9.4  REGINA (1903 - ?)  getrouwd met Eric Schocken (Shapir' in 1936 in Palestina, dochter Judith 9.5  LYDIA (1905 - 1973) in 1942 in Amsterdam

Zij, Judith, is de hoofdpersoon in het volgende:
Uit een in Münster uitgegeven krant dit bericht over deze familie en de verstrooiing. En interessant voor zover het over nakomelingen Katz gaat, maar meer nog vanwege het exemplarische karakter van het verhaal: het terugzoeken van het familiespoor.

Judith Shapir, achterkleindochter van Sussmann en Röschen Katz uit Vacha
Heimat“, so sagt Judith Shapir, „das bedeutet doch, dass man sicher ist. Dass die Menschen zu einem stehen und Schutz gewähren.“ Sie stockt einen Moment und fährt dann bitter fort: „Was taten denn ihre Nachbarn und Freunde? War Ahaus ihr Zuhause? Nein, es war nichts. Das ärgert mich, dass sie hier nicht leben konnten.“
Judith Shapirs Großeltern Alfred und Hedwig Löwenstein waren Ahauser. Und sie waren Juden. Das bedeutete vor 74 Jahren: Wer nicht emigrierte, weit genug floh, dem drohte die Ermordung in den Vernichtungslagern. Alfred und Hedwig Löwenstein flohen nicht weit genug.

Tochter Regina emigrierte rechtzeitig nach Israel. Den Schatten ihres Schicksals, den Verlust ihrer Eltern und ihrer Wurzeln, all das hat sie aber nie verwunden. Mit ihrer Tochter sprach sie weiterhin deutsch. Doch über Ahaus verlor sie zeitlebens kein Wort, bis zu ihrem Tode vor 15 Jahren. „Ich wusste nur, dass sie aus Ahaus stammte“, so Judith Shapir, die in einer Kleinstadt nahe Tel Aviv lebt. Sie wollte mehr wissen. Vor zwei Monaten nahm sie Kontakt mit der Ahauser Stadtarchivarin Dr. Margret Karras auf – und war erstaunt, wie viele Informationen sie über ihre Familie erhielt. Und zugleich erfreut, dass der VHS-Arbeitskreis Geschichte unter der Leitung von Ingeborg Höting das Schicksal der Ahauser Juden so gründlich aufarbeitet. Schnell war der Entschluss gefasst: „Ich fahre mit meiner Enkelin nach Ahaus.“ Die Zwölfjährige findet die Reise „very interesting“ und zugleich traurig. „Aber“, so ihre Großmutter, „so nervös wie ich war sie in den letzten Wochen nicht.“ Die Reise führte die beiden über die Niederlande. Dort haben sie – nach Vermittlung durch Dr. Karras – ihre entfernten Verwandten Ralf Löwenstein und David Silversmit kennengelernt. Beide sind Nachfahren des anderen Familienzweigs Hugo Löwenstein, der in Ahaus ein Kaufhaus führte, und beide begleiteten am Dienstag Judith Shapir auf dem schweren Weg in die traurige Geschichte ihrer Familie.

Für die 74-Jährige ist das ein großer Trost: „Ich habe eine neue Familie dazu gewonnen.“ Zudem seien ihr die Menschen in Ahaus mit großer Offenheit begegnet. Und dass der Bürgermeister sich Zeit genommen habe, sei eine große Ehre für sie. Überhaupt wünsche sie sich mehr solcher aktiver Gruppen wie den Arbeitskreis Geschichte, mit dem sie gestern bei einem Empfang in der Volkshochschule zu einem Gespräch zusammentraf.
Versöhnliche Erfahrungen, die ihrer Mutter Regina verwehrt blieben. Vor ihrem Tod reiste sie noch einmal nach Deutschland. Bis nach Ahaus kam sie nicht. „Sie hat das Land schon nach elf Stunden verlassen müssen. Sie konnte die Erinnerungen nicht ertragen.“

Leder-Löwenstein
„Leder-Löwenstein“ hieß in Ahaus die Familie von Alfred und Hedwig Löwenstein, die 1910 an der Ulmenstraße (heute van-Delden-Straße) ein Wohn- und Geschäftshaus errichtete. Die sechs Töchter – darunter Regina, die Mutter von Judith Shapir – überlebten den Holocaust durch Emigration. Das Haus der Löwensteins wurde in der Pogromnacht 1938 geplündert. Alfred und Hedwig Löwenstein flohen in die Niederlande. Nach dem deutschen Einmarsch wurden die beiden interniert und 1943 im Alter von 73 Jahren im Vernichtungslager Sobibor in Polen ermordet.
bron: Münsterlandzeitung
.
10. META (1872 - 1943)

Meta trouwde op latere leeftijd - zij was op 2 november 1911 bijna veertig-  met de vijf jaar jongere Max Holländer, een oud-marineofficier die in dienst was bij Meta's broer Benno in diens warenhuis S. Alsberg en Co, en afkomstig was uit (zijn geboortestadje) Dahl, bij Mönchen Gladbach.

Hun wooncarrière is te volgen uit het meldereghister dat wordt bewaard in Bielefeld. Waarschijnlijk weerspiegelt die ook de ambities van Max Holländer als koopman. Die carriëre lijkt me even grillig als niet ongewoon in deze tijd voor ambiteuze types.
Aanvankelijk woont Max in Sankt Johanna, waar dat ook maar mag zijn.
Dan komt hij in 1901 naar Bielefeld en treedt in dienst bij Alsberg, het bedrijf van Benno Katz, Hij woont dan in de Lützowstrasse (later omgedoopt tot Karl Eilersstrasse). Op 10 maart 1903 vertrekt hij naar Mönchen Gladbach en probeert het daarna in Keulen. Het kan natuurlijk zijn dat hij in opdracht van zijn werkgever, Benno Katz, eerst naar Mönchen Gladbach en later naar Keulen verkast. Onbekend. Op 1 mei 1911 keert hij terug naar Bielefeld en woont dan een half jaartje in de Löballstrasse.
Na hun trouwen wonen Max en Meta in de drukke stadcentrumstraat Viktoriastraat 57, in een appartement. Na zeven jaar verhuist het paar naar Berchtesgarden, maar dat duurt maar kort en na een jaartje wonen zij weer in de Viktoriastraat. Vandaar verhuizen zij dan naar de Grünstrasse, midden in een fraaie villawijk.
Maar niet eindeloos. Of het nou te duur is, zij verkassen naar een iets eenvoudiger huis aan de Dornbergerstrasse en na een paar jaar de Kiskerstrasse. Allemaal in de buurt; er is een Katz-fiets- en wandelroute denkbaar, zij het dat het in die buurt stevig 'op' en 'af' is.


Grünstrstrasse 26 in Bielefeld het pand dat Meta en Max deelden met een weduwe 
In 1939 kwamen zij naar Nederland, naar Zwolle. Max krijgt door de Duitse overheid zoals in vele gevallen als tweede naam Israel zoals Meta hier te boek staat als Meta Sara. Max en Meta zijn dus officieel 'ausgewandert' en hun namen zijn in de Zwolse registers overgenomen van hun Reisepass die een jaar geldig was van 28.4.1939 tot 27.4.1940. Tja.
Aanvankelijk wonen zij door bemiddeling van Meta's jongste zus Selma die al zo'n dertig jaar in Zwolle woont (zie hierna) in de Koestraat op nr. 16 bij de dochter van Meta en haar man, Antoinette (Annie) en Herman Troostwijk.
Zus Selma en zwager Eduard Danneboom had een grote lompen-, huiden- en metalenhandel aan de Deventerstraat (= Karnebeekstraat), waar nu het parkeerterrein is van het ziekenhuis.
Wanneer Annie en Herman hun huis op last van de Duitse bezetters moeten ontruimen, moet ook voor Meta en Max een nieuw onderkomen worden gezocht. Bij wijze van overgang bivakkeren zij drie weken bij Selma en en haar gezin aan de Groeneweweg nummer 25. In een lijst van door joodse Zwollenaren ingeleverde radiotoestellen, komt Max Holländer op 21 april 1941 op de Groeneweg 25 voor: met 'een door de P.T.T. verzegeld toestel'. Zij logeren daar drie weken.
Vanaf  31 mei 1941 staan zij ingeschreven op wat hun laatste adres zal zijn: in de Venestraat 6, waar zij de gastvrijheid genieten van de dames Wolff en Guilliams die optreden als pensionhoudster. Max is dan dus 64 en Meta 69 jaar.
Maar op 9 april 1943 worden zij opgepakt, uit hun huis gehaald en naar Vught gebracht en van daar een maand later naar Westerbork. Vervolgens zijn zij gedeporteerd naar Sobibor, waar zij naar men aanneemt bij aankomst zijn vergast, op of omstreeks 14 mei 1943.

Wat voor mensen Max en Meta waren? Onder de oud-bewoners van de Venestraat weet niemand dat (meer). Er zijn twee bronnen met aanwijzingen.. En dat is al heel wat meer dan gezegd kan worden ten aanzien van de broers en zusters van Meta.

De eerste bron is een reisdagboek dat Annie Troostwijk in 1920 bijhield toen zij haar familie bezocht in Osnabrück, Bielefeld, Detmold en Kassel. Daarin existeert ook tante Emma, die bij de eerste kennismaking een erg aardige indruk maakt en in het vervolg veel aandacht geeft aan Annie.
Gerrit Schaafsma, als bewoner van Groeneweg 25 bijzonder geinteresseerd in de families die vóór hem zijn huis bewoonden, is bezig dit reisdagboek te annoteren en dat levert ongetwijfeld veel aardige details op.


De tweede bron is de autobiografie van wees en neef Heinz Liepmann. Max en Meta komen als kinderloos echtpaar voor in de duitse Exil literatuurgeschiedenis. Max is namelijk de broer van Hermine (Liepmann -) Holländer, de moeder van de auteur Heinz Liepmann. Heinz wordt jong wees en als moeder Hermine in 1919 overleden is wordt Heinz in Bielefeld opgenomen door zijn oom en tante Max en Meta. 
Maar dat heeft hij (of zijn oom en tante) niet lang volgehouden (1918 - 1921), schrijft de biografie van Liepmann. Maar misschien is hij nog wel op bezoek geweest bij oom en tante in Zwolle. Zijn werk werd namelijk hier ook uitgegeven. 

Een interessant verhaal over hem wordt verteld door Frijda:
http://www.crescas.nl/site/blog/webcolumnfrijda/irooz/Heinz-Liepmann-bestraft/
En lees ook dit opmerkelijk verhaal:
arrestatie van Liepmann in Nederland voor belediging bevriend staatshoofd.
Voor het werk van Heinz Liepmann zie deze website:
http://www.nibis.de/~la7/Heinz/Biographie/biographie.html

In 1929 komt de eerste roman van Liepmann uit: Nächte eines alten Kindes. Dit sterk autobiografisch werk is in het Engels, Frans en Nederlands vertaald. De Nederlandse titel is Rijpende jeugd: Nächte eines alten Kindes. Geen enkele openbare bibliotheek heeft het en op dit moment biedt ook geen enkel antiquariaat het boek te koop aan. Alleen in te zien in nota bene de leeszaal van de bibliotheek in Leipzig (ja, de Nederlandse vertaling) en in Amsterdam, in het Internationaal homo/lesbisch informatiecentrum en archief.
Het blijkt een Bildungsroman (à la Catcher in the rye en Call it sleep) te zijn, maar ook een sleutelroman. In het boek is hij zelf Martin. Zijn zusje Else heet Elisabeth. De familie Benno Katz is de familie Hannemann, Max Holländer heet oom Herbert en Meta (Holländer-Katz) heet tante Melanie.

Het eerste (meen ik)  boek van Heinz Liepmann heeft een sterk autobiografisch karakter. Die Nachte eines alten Kindes, 1929
Ik heb een engels exemplaar. Het zou afkomstig kunnen zijn van de Katz-familie! Er zit namelijk een stempel in van een boekwinkel in Cincinnati en daar woonden tot hun dood de naar de USA gevluchte Emma en Gustav Falk- Weihl. Na zijn ‘vlucht’uit Bielfeld had hij zich ingescheept op een stoomschip naar Amerika. Wie weet heeft hij de familie daar nog bezocht?!
Heel waarschijnlijk is dat niet, want hij doet buitengewoon lelijk over in elk geval de Bielefeldse tak.

Het is een Bildungsroman à la Call it sleep van Henry Roth en Catcher in the rye van hoe-heet-ie ook alweer, oja Salinger.
Een paar bladzijden.









Het zijn naast het wel zeer welwillende dagboek van Antoinette de bepaald tegenkritische geluiden over (een deel van) de familie.

Ik heb natuurlijk nagezocht of het boek ook vertaald is. Ja, dat is het en heeft dan de titel. Rijpende jeugd: Nächte eines alten Kindes.

Niet in een openbare bibliotheek verkrijgbaar. 

één van de stenen aan de Gedenklaan naar het voormalige kamp Sobibor
het wonderlijke is dat Meta niet op deze (of een andere) steen staat;
geen van beiden is geboren in Bilefeld en zij hebben er vrijwel evenlang gewoond






















Voor het station in Bielefeld staat een gedenkteken waarop Meta wel is vermeld.

































11. BENJAMIN (Benno) (1874 - 1934)


Benno Katz









het warenhuis rechts op de hoek van de Niedersnstrasse, gezien vanaf de Jahnplatz





























Benno woont nu in de enorme villa in de Lessingstraat; William Muhlfelder is zijn partner


Benno is overleden en Willi heeft zijn plaats ingeno,menft toevoegen


onder 1) en 2) tekenen resp. William Mühlfelder en Willi Katz



de overname is een feit: Kurt Opitz laat de hakenkruizen zien


Benjamin (Benno) (4-8-1874) is getrouwd met Laura Hoffman. Hij overlijdt in 1934 in een kliniek in Berlijn. Benno en Laura krijgen drie kinderen Willie, die met Vera Löwenstein trouwt), Trude, die met dr. Kurt Michel trouwt, en Liesel (Lisl), die eigenlijk Elisabeth heet en na Benno's dood met Leo Haas,  die al een belangrijke rol speelt in de bedrijven van Benno, trouwt.

Benno was een man van aanzien. Hij wordt in 1911 de eigenaar van het oudste, het eerste, het oude winkelconcept doorbrekende en grootste warenhuis in de regio: das Kaufhaus S. Alsberg & Co. Een soort Bijenkorf, voor die tijd ongekend. Er werken 300 mensen en je kunt de winkel bezoeken en bekijken zónder iets te kopen.
Maar daarnaast is hij de grondlegger en voorzitter van de raad van bestuur van KATAG, een inkooporganisatie voor zo'n veertig aangesloten bedrijven. na zijn dood werd hij opgevolgd door zijn zoon Willi, tot ook daar de Arisierung haar tol eiste. Het warenhuis ging door onder de naam Opitz, maar KATAG bestaat tot op de dag van vandaag onder dezelfde naam en heegft een omzet van 900 miljoen euro, staat in het gepubliceerde jaarverslag.

Interessant en opmerkelijk is dat de plaatselijke courant in een redactioneel commentaar waarderende aandacht aan zijn overlijden besteedt, terwijl reeds dan iedere (succesvolle) Jood 'een belediging' voor het Duitse volk geworden is en de bruinhemden heer en meester zijn in de stad.




Laura Katz - Hoffmann ziet kans om op 10 juni 1941 (!) alsnog te emigreren naar de VS, samen met haar dochter Gertrud en diens man Dr. Phil Michel Kurt (die procuratiehouder was in het bedrijf van eerst Benno en later Willy), mét hun zoon Klaus (Bielefeld, 1931).
Maar Laura overleeft de emigratie niet lang en sterft nog vóór het eind van de oorlog op 12 december 1944 in Detroit. Zij ligt begraven op het Beth El Memorial Park in Bloomffield Hills, Michigan.
Bron: Monika Minninger e.a., Antisemtisch Verfolgte registriert in Bielefeld 1933 - 45, 1985.

In hun goede dagen woonden Benno, Laura en hun kinderen in deze villa. Nu Lessinghaus en een soort clubgebouw annex cultureel centrum van de Lions.


Benjamin was van dezelfde Westfalia-Loge XVI362 lid als zijn zwger Max Holländer, zijn broer Max Katz en diens compagnons Gustav Falk en Ludwig Stern. Ik schat deze joodse vereniging in als een soort rotaryclub. Heeft in elk geval niets met de vrijmetselaars. Lid zijn vooral kooplieden, fabrikanten en zelfstandige beroepsbeoefenaren als architecten en advocaten. Maar de Gestapo heeft het archief cum annexis vernietigd. Er is een ledenlijst overgeleverd een een foto van de oprichtingsvergadering (uit 1861).

Benno haalt zijn zwager William Mühlfelder in het management.  Benno en William zijn zwagers via hun vrouwen, de zusjes Laura en Martha Hoffman. Martha zal wel een mooi meisje geweest zijn, want hoe zou zij anders moeten zijn opgevallen als poetsmeisje uit Oelde. Niet alleen Laura en Martha werkten ooit voor Benno in de winkel, maar ook nog twee broers Otto en Albert en een zusje Jenny. Het was een typisch joods bedrijf qua personeel.
Otto, die als vertegenwoordiger en als verkoper op de tapijtafdeling ingezet wordt, wordt in de kristalnacht in 1938 vermoord.
Trouwens in het personeelsregister komt ook nog een Irma Katz (4-8-1983) uit Vacha voor, ook als poetsmeisje, in de periode augustus 1907 tot augustus 1909.. Een nichtje wellicht van een andre Katz-tak.
Veel van deze werkkrachten, ook Irma, staan ingeschreven in de Lutzowstraat of Lukowstraat. Een weerkerend adres, van een pand dat kennelijk in bezit is van het bedrijf en waar vele werknemers (tijdelijk) worden ondergebracht.

Met William Mühlfelder zijn we trouwens weer in Zwolle. Want de zoon van William en Martha Mülfelder, Kurt, trouwt in augustus 1937 met Kitty Troostwijk. Het jonge paar woont in de Bilderdijkstraat.
William zal het huwelijk hebben bijgewoond, maar Benno zeker niet want was drie jaar daarvoor overleden, maar Laura mogelijk weer wel.
Hoezeer ook de familie Mühlfelder gedesintegreerd is door de gebeurtenissen die aan het uitbreken van de oorlog voorafgaan, blijkt ook wel weer uit de lotgevallen van de andere zoon van William, Kurts broer Werner:
Mühlfelder, Werner (später Warren J. Muhlfelder), * 14.5.1910 Bielefeld, Eltern: William M., Teilhaber der Fa. Kaufhaus Alsberg, und Martha, geb. Hoffmann; 1929 Abitur am Realgymnasium; er studierte Medizin in Bonn und Düsseldorf und promovierte später in Basel; 1936 war er kurzzeitig Assistent am jüdischen Krankenhaus in Köln. Im September 1936 emigrierte er über Rotterdam nach New York. Dort wurde er Assistenzarzt und erhielt im Oktober 1937 das Niederlassungsrecht als Arzt. Paul Mühlfelder ist am 12.5.1998 in Altoona/ Pennsylvania verstorben.
Terug naar Laura. Later woonde de weduwe Laura iets kleiner, maar nog steeds in een kast van een huis in de Richard Wagnerstrasse 14. Dat huis komt in de familiegeschiedenis van de in Bielefeld zeer bekende familie Mosberg (taxtielfabrikant)  voor aldus: In einem Brief vom 30. mai 1941 schrieb Johanne Mosberg an ihre nach Peru und USA emigrierten Kinder Paul und G, dass 'Maxens' (Max Mosbergs Familie) umziehen werden und zwar in "die Wohnung von Frau (Laura) Katz, die jetzt nach U.S.A. unterwegs ist". Dass diese Wohnung an der Richard Wagnerstrasse 14 in einem mittlerweile zum "Judenhaus" erklärten haus lag, erwähnte sie nicht.
Bron Bielefeld Stadtarchiv


Katz Textil AG, Katz und Michel Textil AG, KATAG

² Sudbrackstraße 17, Wäschefabrik, erhalten

² Stresemannstraße 4, Verwaltung und Wäschefabrik, Gebäude nicht erhalten

² Stralsunder Straße 5, heutiger Sitz der KATAG

Benno Katz, der 1897 das Textilgeschäft S. Alsberg in der Niedernstraße übernahm und 1900 mit dem Aufbau des Kaufhauses S. Alsberg am Jahnplatz begann, begründete am 22. Januar 1923 (laut Buch der Stadt bereits 1922) die Einkaufsgenossenschaft Katz Textil AG mit Sitz in Bielefeld, in der sich anfangs 11 Firmen zusammenschlossen. Dabei handelte es sich vornehmlich um Firmen, an deren Gründung er selbst in der einen oder anderen Form beteiligt war. Am 1. April 1923 gründete die Katz Textil AG eine eigene Wäschefabrik. Geschäftspapiere und Vordrucke wurden in einer eigenen Druckerei produziert. Dabei wurde für die in der eigenen Wäschefabrik hergestellten Produkte das Warenkennzeichen KATAG verwendet. Das Stammhaus der AG blieb das Kaufhaus Alsberg, wo auch am Niederwall 13a die Verwaltung untergebracht war, bis 1924 nach Plänen des Architekten Lütkemeyers ein eigenes fünfstöckiges Verwaltungsgebäude in der Stresemannstraße 4 entstand. Hinter der beindruckenden Fassade war im Erdgeschoss und auf der ersten Etage die Verwaltung untergebracht, deren geschmackvolle Einrichtung im Buch der Stadt beschreiben wird: ….
Buch der Stadt, S. 440-441

Die Katz Textil-Aktiengesellschaft

Die Gründung der Katz-Textil-Aktiengesellschaft erfolgte aus der Erkenntnis, dass die allgemeine Entwicklung der Wirtschaft auch für den Einzelhandel einen Zusammenschluss bedinge, um durch großen, gemeinsamen Einkauf mehrerer Betriebe eine Verbilligung der Waren und eine bessere Wahrung der eigenen Interessen zu erzielen. So fanden sich unter Führung des Kaufmanns Benno Katz aus der Firma S. Alsberg & Co., Bielefeld, eine Reihe größerer Webwaren-Einzelhändler Westdeutschlands zusammen. In der schlimmsten InfIationszeit wurde im Zentrum der Stadt auf dem ehemaligen Bansischen Lagerhausgrundstück in der Bahnhofstraße mit dem Bau des eindrucksvollen Geschäftshauses begonnen und trotz der ungeheuren Schwierigkeiten durchgeführt. Die großzügigen Gebäulichkeiten wurden nach den Plänen und unter Leitung des Architekten Lütkemeyer errichtet und in jeder Beziehung mit allen Errungenschaften der Neuzeit ausgestattet. Das Erdgeschoß und der erste Stock des Vorderbaues dienen ausschließlich der Verwaltung und Regelung gemeinschaftlicher Angelegenheiten. In lichten, künstlerisch ausgestalteten Buchhaltungsräumen werden mit den modernsten elektrischen Maschinen die Verrechnung und der Briefverkehr mit den angeschlossenen Firmen und den gemeinsamen Lieferanten bewerkstelligt. Eine von einem Fachmann geleitete Versicherungsabteilung erledigt und beaufsichtigt sämtliche Versicherungen der einzelnen Mitglieder. Ein großer Musterungsraum, der in eine Reihe praktischer Kojen eingeteilt ist, ermöglicht die Bearbeitung der täglich von den Fabrikanten vorgelegten Muster und erleichtert die Durchsicht durch die Mitglieder des Konzerns. Gleich neben diesem Raum befindet sich ein ganz in Eiche getäfelter, prachtvoll ausgestalteter Konferenzsaal, in dem die schwebenden Fragen durch Aussprache mit den Anschlussfirmen ihre Erledigung finden. Ein weiteres kleineres Konferenzzimmer ermöglicht die Beratungen des Aufsichtsrats, während ein dritter Raum Sitz der Direktion ist. Die übrigen Geschosse des Vorderbaues werden ausgefüllt von Verkaufslägern für die im Großen gekauften Waren und die im eigenen Betrieb hergestellten Fabrikate.

Der gesamte Hinterbau dient der mannigfaltigen Herstellung Bielefelder Fabrikate. In großen, hellen, den sanitären Erfordernissen entsprechend ausgestatteten Räumen stehen in langen Reihen Maschinen, die zur Herstellung von Bielefelder Wäsche verwandt werden. Insbesondere legt die Katz Textil-Aktiengesellschaft Gewicht auf die Herstellung hochwertiger Stickereiwäsche. Eine weitere Sonderabteilung des Unternehmens widmet sich der Fabrikation von Schürzen. Anheimelnde, zweckentsprechend eingerichtete Kantinen- und Garderobenräume gestalten die Tätigkeit für die Arbeiterinnen und Angestellten angenehm. Den Zwecken des Unternehmens entsprechend befindet sich in einem weiteren Anbau eine Druckereiabteilung, in der ein großer Teil der von den Einzelhandelshäusern benötigten Bücher, Formulare und Schriftstücke gedruckt und gebunden wird. Ein erfahrener Fachmann sichert auch hier die sachgemäße und praktische Durchführung der Arbeiten. Für die Stadt Bielefeld ist dieses Unternehmen von besonderer Wichtigkeit, da es täglich eine große Anzahl von bedeutenden Fabrikanten nach Bielefeld führt, die hier bei der Zentrale ihre Abschlüsse tätigen, und weil es weiter als Stätte zahlreicher Konferenzen Treffpunkt vieler Kaufleute des westlichen Deutschlands ist.

Im Jahre 1927 konnten Einkaufsniederlassungen in Chemnitz und Plauen eröffnet werden. Als 1928 Benno Katz‘ Schwiegersohn Dr. Kurt Michel Teilhaber wurde, wurde die Einkaufsgenossenschaft als Katz & Michel Textil AG weiter geführt. Der Einkaufsverbund organisierte die Fabrikation und den gemeinsamen Einkauf für eine große Zahl von Firmen in Westfalen und Lippe und war als Großhandel von großer Bedeutung für den Textileinzelhandel.

1928 übernahm die Katz und Michael Textil AG das Gebäude der Herrenwäschefabrik Gebr. Hirschfeld AG L. & J. Hirschfeld in der Sudbrackstraße 17, die 1926 im Buch der Stadt euphorisch als in sozialer und hygienischer Hinsicht modellhaft und vorbildlich beschrieben wurde. An der gleichen Adresse – in der Sudbrackstraße 17 – war 1927 auch die Herrenwäschefabrik des 1921 aus Paderborn zugezogenen jüdischen Wäschefabrikanten Ernst Kass gemeldet.

1929 eröffnete die Katz & Michel Textil-Aktiengesellschaft eine Einkaufszentrale in Berlin am Hausvogteiplatz, ab 1931 in der Leipziger Straße.

Beim Tod von Benno Katz 1934 waren etwa 100 Firmen und Kaufhäuser in verschiedenen Städten an den Einkaufskonzern angeschlossen. Die „Arisierung“ der Katz & Michel Textil AG als KATAG AG im Jahr 1937 musste Benno Katz nicht mehr miterleben.



11.1  WILLI KATZ (1902 - 1941)

Na de dood van zijn vader neemt hij de zaak over. Hoe het hem verder is vergaan heeft Monika Minninger beschreven die is nagegaan wat de leerlingen van het Bielefelder gymnsium is overjkomen die althans naar Amrika hebben kunnen uitwijken (Jüdische Schüler des Bielefelder Gymnasiums, die später nach Amerika auswanderten oder emigrierten (1845-1948);

* 19.3.1902 Bielefeld, Eltern: Benno K., Teilhaber des Textilkaufhauses Alsberg und Vorstandsvorsitzender der Katz-Textil-AG (KATAG), und Laura, geb. Hoffmann; 1921 Abitur am Realgymnasium; Studium der Volkswirtschaft ohne Abschluss, dann Teilhaber und Geschäftsführer der Fa. Alsberg & Co., arisiert Ende 1938.

Willy Katz floh am Tag des Novemberpogroms 1938 vor der drohenden Verhaftung nach Berlin und tauchte dort für zwei Monate unter. Nach seiner Rückkehr emigrierte er Ende August 1939 mit Sohn Peter (* 1933 Düsseldorf) von Bielefeld über Rotterdam nach England, wo er unter Hunger beide als Bürstenvertreter durchbringen musste.

Im April 1940 konnten Vater und Sohn per Schiff nach New York und von dort nach Cleveland/ Ohio gelangen. Die Ehefrau Vera, geb. Löwenstein hatte 1938 im Hinblick auf die Auswanderung in Berlin eine Ausbildung zur Kosmetikerin absolviert, konnte dann aber im Oktober 1939 die holländische Grenze nur noch illegal mit Hilfe eines Fluchthelfers passieren. Im Januar 1940 gelang es ihr, mit Unterstützung ihres in Ohio lebenden Schwagers von Rotterdam per Schiff zu Ehemann und Sohn nach Ohio zu emigrieren.

Willy Katz starb in Folge der Entbehrungen und einer Gehirnhautentzündung bereits am 11.2.1941 in Cleveland/ Ohio.

11.1.1  PETER is slechts dertig jaar geworden. Hij stierf in 1963 in New York. Zijn moeder Vera is hertrouwd met Adolph Schapiro en Peter voerde als zijn familienaam Katz-Schapiri. Peter kreeg met echtgenote Simon twee kinderen.

12. MAX MOSES (1876 - 1963 )































Dat deelden de drie vrienden / eigenaren van de Alsberg vestiging in Osnabrück: zij waren in de Eerste Wereldoorlog alle drie onder de wapenen.
Enfin, hun bedrijf zijn zij kwijt geraakt, vijftien jaar later ongeveer, tijdens de zogenaamde Arisierung van de jüdische Geschäfte.
Deze tekst verscheen in een krant ter gelegenheid van het 100-jarig jubileum van het bedrijf. Het Eerlijke Verhaal, waar de bedrijfsleiding 25 jaar jaar geleden nog niet toe in staat was. Interessant genoeg om integraal weer te geven;

Alsberg & Co. war ein reichsweit agierender Konzern, der 1930 zum drittgrößten Warenhausunternehmen aufstieg. Als Alsberg 1910 in Osnabrück „ein modernes Spezialhaus für gediegene Manufakturwaren, Konfektionen, Mode- und Kurzwaren“ eröffnete, setzte das Unternehmen neue Maßstäbe: ein Kaufhaus! Es galt als Sinnbild der Moderne.

Die Warenhäuser luden zur „zwanglosen Besichtigung“ ein. Das neue Geschäftsmodell habe die Menschen „fasziniert und verstört“, schreibt die Historikerin Wibke Schmidt im Jubiläumsbuch. Dass die Ware zu Festpreisen verkauft und beim Bezahlen Bares verlangt wurde, habe den Kunden Neues abverlangt. „Sie waren es gewohnt, um den Preis zu feilschen und anschreiben zu lassen. 
(de foto had een 'kopieerschutz' , zodra ik een betere versie ind, vewrvang ik deze)

Wirklich innovativ aber war die Einladung, vorbeizukommen und zu staunen, ohne dabei etwas kaufen zu müssen.“
Heute würde das Geschäftsmodell von Alsberg & Co. als Franchise-System bezeichnet. Alsberg hatte das Konzept, vor Ort trugen die jeweiligen Inhaber die volle unternehmerische Verantwortung. In Osnabrück waren es Max Katz, Ludwig Stern und Gustav Falk. Die drei führten das Unternehmen durch die schweren Zeiten des Ersten Weltkriegs, der Inflation und der Weltwirtschaftskrise 1929/30.
Die Nazis begannen nach ihrer Machtübernahme im Januar 1933, jüdische Geschäftsinhaber zu bedrängen. Beim Boykottaufruf am 1. April 1933 zogen SA-Männer vor dem Modekaufhaus von Katz, Stern und Falk auf, war es doch mit 151 Beschäftigten das größte Geschäft in jüdischem Besitz in Osnabrück. Die antisemitische Hetze ließ den Umsatz um 75 Prozent einbrechen. Die drei Eigentümer sahen sich zum Verkauf gezwungen. „Arisierung“ nannten die Nationalsozialisten die Enteignung der Juden. Der Begriff bezieht sich auf eine angebliche „arische Herrenrasse“, zu der die Juden nicht gehörten.
Die Kaufleute Alfred Trieschmann aus Essen und Friedrich Lengermann aus Osnabrück übernahmen das Geschäft an der Großen Straße. Am 20. November 1935 wurde der Kaufvertrag unterzeichnet. Zehn Tage später eröffnete das Modekaufhaus unter dem neuen Namen „L+T“. – Norddeutschlands größtes Mode-Kaufhaus wird 100 Jahre alt: Die besondere Geschichte von L+T 

Max (10-4-1876) was getrouwd met Helene Eisenberg. Zijn kregen een dochter Ruth en een zoon Werner. Het gezin emigreert na de overname naar de VS.

12.1 RUTH (1908 in Düsseldorf) woonde bij de machtsovername van Hitler in Bielefeld  en was getrouwd met dr. Alfred Holländer, dermatoloog. In 1938 scheidden zij en kwamen onafhankelijk van elkaar naar de VS. In 1945 hertrouwde Ruth in Brookline, Massachusets, met Herbert Stern.
Zij stierf kinderloos, op 17 januari 1999 in Frankfurt.
Bij haar aanvraag voor het Amerikaanse paspoort gaf zij als beroep 'commercial artist' op. Ondanks haar scheiding noemde zij zich toen nog Ruth Hollander.

12.2 WERNER (1914 – 1976). Onbekend of hij trouwde en kinderen en hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag.
Bij zijn naturalisatieaanvraag geeft hij op de vraag naar zijn beroep op 'patiënt'.



Heeft Max geprobeerd daar een nieuwe start te maken?  Er is daarover (bij mij) niets bekend. Hij overlijdt in 1963 in Denver.

Uit het vreemdelingenregister zie ik dat Max maar ook zijn zoon Werner in de jaren twintig en dertig  in Zwolle op bezoek zijn geweest bij de familie Danneboom – Katz in Zwolle. Niet vreemd als je bedenkt dat Antoinette (Annie), de dochter van Selma en Eduard Dannebaum-Katz, indertijd op  haar Duitslandreis ook zeer vriendelijk bejegend is door oom Max. Er waren hier kennelijk sterke familiebanden. (Merkwaardig evenwel wordt tante Helene niet één keer genoemd in dat resiverslag alsof zij die niet heeft ontmoet.)   

Max heeft met zijn twee compagnons Ludwig Stern en Gustav Falk het filiaal van Alsberg en Co in Osnabrück gekocht en dat fantastisch uitgebouwd. 
Die Gustav Falk was trouwens een aangetrouwde neef: hij was de echtgenoot van Emma Weihl, zus van Emil en Alfred Weihl. Zie hiervoor onder 1.2

Het waren vrienden en hun gezinnen waren ook met elkaar bevriend. Zij woonden bij elkaar om de hoek in de Uhlandstrasse cq de Rhoonstrasse. Dat weten we dan weer uit het reisdagboek van Annie Troostwijk die de Sterns en de Falks ook als familie ervaart.

Des te tragischer is behalve de zakelijke split-up dan ook ook de Auswanderung (emigratie) naar de VS. Het is mij niet bekend hoe het Max en Gustav is vergaan, maar de kleinzoon van Ludwig Stern vertelt het verhaal van zijn grootvader:
bron: Neue Osnabrücker Zeitung OZ van 21 oktober 2011


Würdigung für die Gründer: Ronald Stern (links) und seine Frau Elarie stehen vor der Erinnerungstafel bei L+T, die auf die Betreiber des vormaligen Kaufhauses Alsberg hinweist. Sie mussten vor dem NS-Regime fliehen. Heutige Gesellschafter hatten die Tafel in ihrem Geschäft angebracht: Mark und Dieter Rauschen (Vierter und Fünfter von links) sowie Mitglieder der Familie Haberland aus Düsseldorf. Foto: Hermann Pentermann




Ronald Stern beginnt mit der Lebensgeschichte seines Großvaters Ludwig Stern, der bis 1935 Mitinhaber des Kaufhauses Alsberg war. Dann fädelten die Nationalsozialisten die sogenannte „Arisierung“ ein, und Lengermann und Trieschmann übernahmen. Die jüdischen Gründer des Geschäfts, das heute L+T heißt, gerieten bald in Lebensgefahr. Sie konnten gerade noch rechtzeitig in die USA fliehen.
Zwei Tage später erzählte Ronald Stern beim Empfang im Rathaus : „Niemand versteckt hier, was damals geschehen ist.“ Das gelte auch für Mark Rauschen, den jetzigen L+T-Geschäftsführer.
Der hatte die New Yorker eingeladen. Es ging um die Erfüllung eines Geschäft an der Großen Straße das Werk der drei Unternehmensgründer Ludwig Stern, Gustav Falk und Max Katz würdigt. Sie hatten das Textilgeschäft Alsberg 1910 eröffnet und es 1935 aufgeben müssen, weil sie Juden waren.

Als 1933 die Demokratie zerbrach, begann auch das Ende der Firma Alsberg. Der Hass der Nationalsozialisten auf Juden breitete sich aus. Wer in ihren Geschäften einkaufte, musste mit Ärger rechnen. Kunden wurden fotografiert. 1935 gaben Stern, Falk und Katz auf. Sie mussten ihr Kaufhaus für einen Bruchteil seines Wertes verkaufen. Die Nationalsozialisten sprachen von „Arisierung“. Davon profitierten Friedrich Lengermann und Alfred Trieschmann: Sie kamen von Mülheim und Essen nach Osnabrück und übernahmen das Geschäft.

Ludwig Stern, seine Frau Greta und ihr Sohn Ralph verließen Osnabrück – ebenso wie Gustav Falk und Max Katz.
Für die Sterns war Berlin die nächste Station. 1939 gelang es Ludwig Stern, seinem inzwischen 18-jährigen Sohn Ralph die Ausreise nach England zu ermöglichen.
Im Jahr darauf reisten die Eltern nach New York – kurz bevor es zu spät war. Die Nationalsozialisten hatten den Juden inzwischen alle Rechte genommen, und der Massenmord stand kurz bevor. Die Sterns mussten ein Vermögen aufbringen, um die sogenannte „Reichsfluchtsteuer“ zahlen zu können, die dazu diente, vermögende jüdische Auswanderer vor ihrer Ausreise auszuplündern. Auch den Familien Falk und Katz gelang eine von Todesangst begleitete Flucht – ebenfalls in die USA.
Ronald Stern berichtete, wie sich seine Großeltern mühsam in Amerika zurechtfanden:
Ludwig Stern als Hausmeister, Greta als Putzfrau. Später betrieben sie mit ihrem Sohn Ralph ein Stoffgeschäft. „Sie arbeiteten hart.“
Größere Erfolge wie früher in Osnabrück blieben ihnen aber verwehrt. Nach dem Krieg kam ein Vergleich mit der Firma L+T zustande, doch konnte der die Verluste und die bitteren Erfahrungen nicht aufwiegen. Und die Entschädigungsbehörde lehnte eine Wiedergutmachung ab.

Ralph Stern reiste nach Osnabrück, um in Schulen über die Diskriminierungen zu erzählen, die er als Jugendlicher erlebt hatte. Doch eine Versöhnung fiel ihm schwer, wie sein Sohn Ronald berichtete. Das zeigte sich auch im Familienalltag in New York: „Bei uns zu Hause gab es keine deutschen Produkte. Als ich mir dann einen Volkswagen kaufte, war mein Vater entsetzt.“
 Die deutsche Sprache blieb Ronald fremd. Er wurde Polizist und Rettungssanitäter.
Mittlerweile ist Ronald Stern 56 Jahre alt. Und nun lernte er die Osnabrückerin Maria Nordmann kennen, die einst bei Alsberg gearbeitet hat, inzwischen 100 Jahre alt ist und sich noch lebhaft an seinen Großvater erinnert. Ebenfalls bewegend: die Begegnung mit Helga Kleina, der Tochter der Erzieherin seines Vaters.
Beim Empfang im Friedenssaal des Rathauses legte Bürgermeisterin Karin Jabs-Kiesler ihre auf Deutsch verfasste Rede beiseite und sprach das amerikanische Ehepaar auf Englisch an – aus der offiziellen Begegnung wurde eine persönliche: „Ich wünsche Ihnen von Herzen, dass Sie diese Tage in Osnabrück nicht nur als schmerzlich erleben, sondern die Stadt auch mit einer gewissen Zuversicht verlassen können.“
Das ist geschehen. Ronald Stern sagte der Autorin Martina Sellmeyer („Stationen auf dem Weg nach Auschwitz“) und dem Historiker Joachim Castan, ihm komme es jetzt so vor, als würden sein verstorbener Vater und seine Großeltern zu ihm herüberlächeln. “

Kennelijk waren er geen nakomelingen van Max Matz die de eer te beurt konden vallen bij deze verzoeningsbijeenkomst aanwezig te zijn.

zoon Ralph (Heinz Günther!) en kleinzoon Ronald Stern

PS In het dagboek van Annie Troostwijk is sprake van zoon Heinz Günter (1921). Om begrijpelijke redenen heeft die zich bij zijn emigratie naar Engeland (zie hierboven) een andere naam gekozen: Ralph.

13. ISEDOR (1878 - 1880)

Isedor heeft niet lang mogen leven en ligt ongetwijfeld begraven op de fraai gelegen Joodse begraafplaats tussen Vacha en Völkershausen.

14. SELMA (12.4.1882 - 12.4.1976)

(Informatie heb ik merendeels ontleend aan de website Joods Zwolle)





Selma woonde na haar trouwen in 1902 in Vacha, in Zwolle met haar man Eduard Danneboom.
Selma en Eduard kregen drie kinderen: Antoinette (Annie), Siegfried Jacob (jong gestorven) en Jacob Karel.

Eduard Danneboom
In mei 1942 vierden Eduard Danneboom en zijn vrouw hun veertigjarige huwelijk. Van vrienden en buren kregen zij een boekje met foto's en gelukswensen. Dit boekje wordt bewaard in het Historisch Centrum Overijssel. 

Selma heeft de oorlog overleefd door onder te duiken. Haar man Eduard Danneboom, is vermoord, omgekomen in Westerbork, en ligt begraven in Zwolle op de joodse begraafplaats.


14.1 Antoinette Troostwijk - Danneboom en haar man Herman Troostwijk zitten centraal op de foto.

14.2 Jacob Karel staand is Antoinettes broer.

14.1.1 Edith is de oudste dochter, met de viool.
14.1.2 Janny zit rechts meisje naast haar vader..



Eduard Danneboom had een handel in huiden, vodden, gbruikte metalen aan de Deventerstraat (nu: Van Karnebeekstraat), samen met een compagnon Meijer Kan. Na de oorlog verhuurde Selma Danneboom het zakenpand aan de van Karnebeekstraat aan Meijer Kan en noemde de zaak aanvankelijk 'Firma Kan en Danneboom'. 
Later kocht de heer Kan de zaak van mevrouw Danneboom en heeft er jaren lang een foto van Eduard Danneboom in het kantoor gestaan.
Selma was een bijzondere vrouw die ondanks haar vreselijke ervaringen en grote verdriet altijd vriendelijk gebleven is. Zij stierf op 12.4.1976 op 94-jarige
leeftijd.


Deventerstraat (nu: Van Karnebeekstraat), de eerste woning

Groenweg 25, (derde?) woning van Selma en Alfred na 1932

 Ik hoop hier het verhaal van Gerrit Schaafsma die dit gezin in kaart brengt, in te voegen.

(Ben benieuwd wie er op de foto staan in het witte lijstje op het dressoir.)


LITERATUUR:
  • KATAG, 75 Jahre KATAG, Szenen einer Unternehmensgeschichte, 1998
  • Kleinert, Beate und Wolfgang Prinz, Namen und Schicksale der Juden Kassels 1933 - 1945, 1982
  • Martina Kliner-Lintzen und Siegfried Pape, "... vergessen kann man dasz nicht"Wittener Jüdinnen und Juden unter dem Nationalsozialismus, 1991
  • Heinz Liepmann, Het vaderland, 1934 (vertaling uit het Duits door P. Voogd)
  • Anja Listmann, Beinahe vergessen. Jüdisches Leben in Bad Salzschlirf, z.j
  • Gudrun Mitschke-Buchholz, Gedenkbuch für die Opfer der nationalsozialstrischen Gewaltherrschaft in Detmold, 2001
  • Hand Nothnagel, (Hg.), Jüden in Südthüringen geschützt und gejagt. Band 5 Jüdische Gemeinden in der Vorderrhön, 1999
  • Hans Nothnagel, (Hg.), Jüden in Südthüringen geschützt und gejagt. Band 6 Über jüdisches Leben im mittleren Werra- und Rennsteggebiet, 1999
  • Joachim Meynert and GFriedhelm Schäffer, Die Juden in der Stadt Bielefeld während der Zeit des Nationalsozialismus, 1983
  • Monnika Minninger (Hg.), Aus einer Hochburg des Reformjudentums. Quellensammlung zum Bielefelder Judentum des 19. und 20. Jahrhunderts, 2006
  • Monika Minninger, Joachim Meynert und Friedhelm Schäffer, Antisemitisch Vervolgte registriert in Bielefeld 1933-45, 1985
  • Frank Werner, Schaumburger Nationalsozialisten. Täter, Komplizen, Profiteure, 2010
  • David Stibbe en Jaap Hagedoorn, Herinneringsboek Joods Zwolle 1940 - 1945, 1995 
  • L + T Lengermann + Trieschmann, 100 Jahre, 2010